Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 BETA Foutje gevonden?

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Bruikbaarheid van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Paragraaf Horeca
Paragraaf Overige bedrijven
Paragraaf Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Voetbal
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen en/of erven op basis van wapens, illegaal gokken e.d.
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen en woonoverlast
Afdeling Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Afdeling Extreme vrieskou
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en de natuur
Hoofdstuk Overige te regelen onderwerpen
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Afdeling

Aanbieden van deelvoertuigen

Artikel 5.34

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder deelvoertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1.1. van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, die op een openbare plaats ter beschikking worden gesteld om, al dan niet tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden, herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruikt te worden op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke en rechtspersonen en/of een of meerdere aanbieder(s).

Artikel 5.35

Ter gebruik aanbieden van deelvoertuigen op of aan de weg

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college deelvoertuigen, die op of aan de weg of op een andere openbare plaats staan ter gebruik aan derden aan te bieden tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden.

  2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor deelauto’s.

  3. Een vergunning wordt verleend voor ten hoogste 3 jaar.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van de vergunningsplicht ten behoeve van het experimenteren met categorieën van voertuigen als bedoeld in het eerste lid.

  5. Het college kan ter bescherming van de belangen in het zesde lid nadere regels stellen over:

    1. De categorieën voertuigen waarvoor de vergunning zoals bedoeld in het eerste lid kan worden verleend of de ontheffing zoals bedoeld in het vierde lid kan worden verleend;

    2. De aanvraag van de vergunning of de ontheffing en het aantal beschikbare vergunningen;

    3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, waarbij deze regels mede een verbod op het verrichten van de activiteit kunnen inhouden voor daarbij aan te wijzen voertuigen, wegen, weggedeelten of gebieden.

  6. Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan de vergunning of de ontheffing:

    1. Ter voorkoming van overlast;

    2. In het belang van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;

    3. In het belang van de veiligheid van het publiek;

    4. In het belang van de doorstroming van het verkeer;

    5. Ter voorkoming van onevenredig ruimtegebruik.

  7. Het college kan stallingsplaatsen, wegen of weggedeelten of gebieden aanwijzen waar:

    1. het verboden is om deelvoertuigen als bedoeld in het eerste lid te plaatsen, en/of

    2. het verboden is om deelvoertuigen als bedoeld in het eerste lid ter gebruik aan te bieden.

  8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan het college de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk weigeren met het oog op:

    1. Het voorkomen of beperken van overlast of hinder voor de omgeving; of

    2. Het behoud van of toekomstige uitbreiding van de parkeerruimte;

  9. Het college kan de in het eerste lid bedoelde vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken als:

    1. In strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen; of

    2. het ter gebruik aanbieden van de deelvoertuigen:

      • gevaar oplevert voor de veiligheid van de gebruikers, de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer;

      • hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat;

      • een nadelige invloed heeft op het milieu;

      • onevenredig beslag legt op de openbare ruimte.

  10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3, van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018