1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in het geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer inrichtingen, tijdelijk andere dan de voor de betreffende inrichtingen geldende sluitingstijden vaststellen.

  2. De burgemeester kan een inrichting, al dan niet voor een bepaalde termijn, gesloten verklaren indien:

    1. de inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. de exploitant of leidinggevende handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

  3. De burgemeester kan de opgelegde sluiting opheffen indien later bekend geworden feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven.