Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Bruikbaarheid van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Paragraaf Horeca
Paragraaf Overige bedrijven
Paragraaf Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Voetbal
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen en/of erven op basis van wapens, illegaal gokken e.d.
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen en woonoverlast
Afdeling Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Afdeling Extreme vrieskou
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en de natuur
Hoofdstuk Overige te regelen onderwerpen
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Degene die op een openbare plaats:

    1. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

      is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een daartoe aangewezen Buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het derde lid.

  5. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  7. [vervallen]

Artikel 2:1a

Messenverbod

  1. Het is verboden op een door de burgemeester aangewezen weg, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  2. Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt, mits deze zaken zodanig zijn ingepakt dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik

Artikel 2:1b

Maskers, vermommingen of andere (gedeeltelijke) gezichtsbedekking

  1. Het is verboden om zich vermomd of onherkenbaar gemaakt op de weg of op een andere voor publiek toegankelijke plaats te bevinden, met het kennelijke doel om herkenning te voorkomen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding. Het verbod is voorts niet van toepassing als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vermomming niet geschiedt met als doel de openbare orde te verstoren.

Artikel 2:2

Melding betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, doet daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijke melding aan de burgemeester.

  2. De melding bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de melding doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de melding is vermeld.

  4. Indien het tijdstip van de melding valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de melding gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een melding in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:4A

Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats

  1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in de Omgevingswet.

  3. De vergunning kan worden geweigerd:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

    2. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  4. Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels stellen ten aanzien van de vergunningsplicht als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

  5. Het verbod uit het eerste lid geldt niet op een supportersplein dat door de burgemeester is aangewezen op grond van artikel 2:44b.

Artikel 2:4B

Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen

  1. Het verbod in het eerste lid van artikel 2:4 A is niet van toepassing op:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:10;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:16;

    3. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de openbare plaats is verleend.

  2. Het verbod in het eerste lid van artikel 2:4 A is voorts niet van toepassing op voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

  3. Het verbod in het eerste lid van artikel 2:4A is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 2:4C

Vrijstellingen

  1. Het verbod in het eerste lid van artikel 2:4 A is niet van toepassing op de volgende categorieën van voorwerpen, mits wordt voldaan aan het ingevolge het tweede en derde lid van artikel 2:4 C bepaalde:

    1. Uitstallingen

    2. Terrassen

    3. Bouwobjecten

    4. Reclameborden

    5. Plantenbakken en banken

    6. Door of in opdracht van de gemeente te plaatsen voorwerpen ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen;

    7. Bouw- of projectborden, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd en voor de duur van de werkzaamheden;

    8. Nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen.

  2. Degene die voornemens is de in artikel 2:4 C onder c en g bedoelde voorwerpen te plaatsen, doet daarvan uiterlijk 7 dagen tevoren een digitale of schriftelijke melding aan het college.

  3. Het college kan in het belang van het bepaalde in het derde lid van artikel 2:4 A nadere regels stellen ten aanzien van de categorieën van voorwerpen als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:4 C.

Artikel 2:5

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. De vergunning wordt verleend:

    1. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een omgevingsplan; of

    2. door het college in de overige gevallen.

  3. Het verbod is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:6

(Omgevings)vergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.

  2. Het college kan categorieën van uitwegen aanwijzen waarvoor het verbod van het eerste lid niet geldt.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Tevens geldt het bepaalde in het eerste lid niet indien het om een locatie gaat waarvan in een door het college vastgesteld definitief ontwerp de uitwegen (in- en uitritten) in zijn totaliteit zijn opgenomen.

  4. De vergunning kan worden geweigerd:

    1. In het belang van de verkeersveiligheid.

    2. In het belang van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

    3. Ter bescherming van openbare groenvoorzieningen.

    4. In het belang van de veiligheid en het doelmatig gebruik van de weg.

Artikel 2:7

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

  1. Het is verboden aan een boom, heg, struik of andere beplanting een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

  2. De eigenaar van een boom, heg, struik of andere beplanting is verplicht deze te snoeien, of op te binden, of te verwijderen na aanschrijving door het bevoegd gezag, binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun aanwijzingen.

Artikel 2:9

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een gebouw is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer, de openbare orde of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:10

Begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoopvoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:43, tweede lid, van deze verordening.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie;

    3. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2, op de weg;

    4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    5. een vechtsportwedstrijd of-gala;

  3. Onder een 0-evenement wordt verstaan een evenement waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd.

  4. Onder een A-evenement wordt verstaan een regulier evenement.

  5. Onder een B-evenement wordt verstaan een aandacht evenement.

  6. Onder een C-evenement wordt verstaan een risicovol evenement.

Artikel 2:11

Organiseren evenement

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. De burgemeester kan bepaalde evenementen, de zogenaamde 0-evenementen, dan wel categorieën van evenementen in de gehele gemeente of in een of meer aangewezen gedeelten van de gemeente aanwijzen waarvoor, onder door hem te stellen voorschriften, het verbod niet geldt.

  3. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7, kan de vergunning worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken indien:

    1. het evenement niet is opgenomen op de Reserveringskalender of op deze kalender reeds een ander evenement is opgenomen in de gevraagde periode, op de locatie of in de nabijheid daarvan;

    2. dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving;

    3. de gevraagde locatie of de directe omgeving te zwaar belast wordt in vergelijking met andere locaties;

    4. tegen de organisator in de afgelopen 3 jaar een bestuurlijke sanctie is genomen of indien de organisator in deze periode zich herhaaldelijk niet aan de vergunningsvoorschriften of wettelijke voorschriften heeft gehouden;

    5. naar het oordeel van de burgemeester de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet.

  5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7, tweede lid, dient een aanvraag voor een vergunning voor een A-evenement ten minste 10 weken en een aanvraag voor een B- en een C-evenement tenminste 15 weken voor aanvang van dit evenement volledig te zijn ingediend bij de burgemeester.

  6. Degene die voornemens is een evenement te organiseren waarvoor ingevolge het tweede lid geen vergunning is vereist, een zogenaamd 0--evenement, doet daarvan ten minste 4 weken voor aanvang van het evenement schriftelijke melding aan de burgemeester.

  7. De burgemeester kan, met het oog op de in het vierde lid en in artikel 1:7 genoemde belangen, voorschriften en beperkingen aan de vergunning en melding verbinden.

  8. De burgemeester kan afwijking van de in dit artikel genoemde termijnen in bijzondere gevallen toestaan.

  9. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  10. Het college stelt jaarlijks een reserveringskalender vast voor het volgende kalenderjaar met in acht name van door het college vastgestelde beleidsregels en de afstemming met de nood- en hulpdiensten. Degene die voornemens is een A-, B-, of C- evenement te organiseren kan het college jaarlijks voor 1 oktober verzoeken een evenement te plaatsen op de kalender van het volgende jaar. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Aan de plaatsing van een evenement op de kalender kunnen geen rechten worden ontleend als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:15

Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. Inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt alsmede een bij deze inrichting behorend terras en de andere aanhorigheden.

  2. Exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  3. Leidinggevende:

    1. de natuurlijke persoon voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; diegene die de inrichting exploiteert;

    2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;

    3. de natuurlijke persoon, die onmiddellijk leiding geeft aan de exploitatie van inrichting.

Artikel 2:16

Aanwijzing

  1. De burgemeester kan ter bescherming van de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid waterpijpcafés aanwijzen als inrichtingen waarop het verbod als bedoeld in artikel 2:17, eerste lid, van toepassing is.

  2. De burgemeester kan ter bescherming van de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid gebieden aanwijzen waarbinnen het verbod als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, van toepassing is.

Artikel 2:17

Vergunningsplicht

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren wat in het maatschappelijk verkeer wordt verstaan onder waterpijpcafé als deze inrichtingen zijn aangewezen als bedoeld in artikel 2:16, eerste lid;

  2. Het is verboden, zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren in een gebied als bedoeld in artikel 2:16, tweede lid;

  3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecainrichting te exploiteren als bedoeld in artikel 6a van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen.

  4. De vergunningplicht als bedoeld in het tweede lid geldt, met uitzondering van de waterpijpcafés, niet voor een inrichting waarvoor een vergunning verplicht is als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet en of voor een inrichting die zich bevindt in:

    1. een museum;

    2. een zorginstelling;

    3. een bibliotheek;

    4. een buurthuis;

    5. een inrichting in een school;

    6. een bedrijfskantine- of restaurant.

  5. In aanvulling op het bepaalde in het vierde lid kan de burgemeester categorieën inrichtingen aanwijzen die worden vrijgesteld van de vergunningplicht.

  6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:18

Vergunningsaanvraag

  1. De vergunning als bedoeld in artikel 2:17 wordt aangevraagd door de exploitant met gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  2. In de aanvraag voor de vergunning en in de vergunning als bedoeld in artikel 2:17 wordt in ieder geval vermeld:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en de leidinggevende(n);

    2. indien van toepassing de verblijfstitel van de exploitant of leidinggevende(n);

    3. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of leidinggevende(n) gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    4. voor welke inrichting en bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt aangevraagd;

    5. het adres en telefoonnummer van de inrichting;

    6. het nummer van inschrijving van de inrichting in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    7. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin de inrichting wordt gevestigd.

  3. De burgemeester kan indien hij dat nodig acht voor het beoordelen van de aanvraag verlangen dat aanvullende gegevens worden overlegd.

  4. Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:19

Wijzigingen in inrichting

  1. De exploitant is verplicht iedere verandering in de exploitatie van zijn inrichting waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens uiterlijk binnen 2 weken aan de burgemeester te melden.

  2. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning als de inrichting aan alle vereisten voldoet.

Artikel 2:20

Weigeringsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de in artikel 2:17 bedoelde vergunning weigeren:

    1. indien niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 2:18 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    2. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn, waarbij ook het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overgelegd, hieronder vallen;

    3. indien de exploitant en leidinggevende(n) niet 18 jaar of ouder zijn of niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, lid 1, aanhef en onder b. en c. en lid 2, van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen.

    4. indien de exploitant of de leidinggevende(n) binnen drie jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees) voor verstoring van de openbare orde, dan wel aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet of artikel 10 Wet experiment gesloten coffeeshopketen gesloten is geweest;

    5. indien dit nodig wordt geacht in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    6. indien naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie van de inrichting nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    7. indien de vestiging of exploitatie in strijd zijn met het omgevingsplan;

    8. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 2:21

Vergunningverlening

De burgemeester verleent op de aanvraag als bedoeld in artikel 2:18 de vergunning als er geen weigeringsgronden zijn als genoemd in artikel 2:20.

Artikel 2:22

Afwijking sluitingstijd en sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in het geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer inrichtingen, tijdelijk andere dan de voor de betreffende inrichtingen geldende sluitingstijden vaststellen.

  2. De burgemeester kan een inrichting, al dan niet voor een bepaalde termijn, gesloten verklaren indien:

    1. de inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. de exploitant of leidinggevende handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

  3. De burgemeester kan de opgelegde sluiting opheffen indien later bekend geworden feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Artikel 2:23

Aanwezigheid in gesloten inrichting

Het is verboden een overeenkomstig artikel 2:22 gesloten inrichting te betreden of daarin te verblijven.

Artikel 2:24

Aanwezigheid leidinggevende in inrichting

Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die op de vergunning staat vermeld.

Artikel 2:25

Intrekkingsgronden

  1. als de exploitant of leidinggevende handelt in strijd met de voorschriften die verbonden zijn met de aan de in artikel 2:17 genoemde vergunning;

  2. als de exploitant of leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2:20, eerste lid, onder c genoemde eisen;

  3. als er sprake is van een wijziging in de exploitatie en dit niet is gemeld als bedoeld in artikel 2:19;

  4. als aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  5. als zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  6. als er sprake is van de omstandigheid en een geval, als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  7. als de exploitant of leidinggevende van de inrichting toestaat of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

  8. als de aan de burgemeester verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest, waarbij ook het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overgelegd, hieronder vallen.

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 wordt de vergunning, als bedoeld in artikel 2:17 door de burgemeester ingetrokken:

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de vergunning, als bedoeld in artikel 2:17 door de burgemeester worden ingetrokken, als artikel 10 Wet experiment gesloten coffeeshopketen wordt overtreden.

Artikel 2:26

Vervallen vergunning

  1. Een ingevolge artikel 2:17 verstrekte vergunning vervalt indien:

    1. de exploitatie van de inrichting door de exploitant voor een periode langer dan 6 maanden is of wordt gestaakt, behalve indien dit is ten gevolge van langdurige ziekte van de exploitant;

    2. een vergunning, strekkende ter vervanging van de in de aanhef van dit artikel bedoelde vergunning, is verleend.

    3. er sprake is van wijziging in de exploitatie doordat de aard van de inrichting is gewijzigd, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.

  2. Van het feit dat de vergunning is vervallen op grond van het bepaalde in het eerste lid, onder a doet de burgemeester mededeling aan hem op wiens naam de vergunning is gesteld.

Artikel 2:27:A:

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een inrichting geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:27:B

Drinkgerei van glas en glazen flessen

  1. De exploitant is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van de inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de inrichting brengen.

  2. Het is verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode, drinkgerei van glas en/of geopende danwel ongeopende verpakkingen van glas of blik, die kennelijk bestemd zijn voor het bewaren van drank, bij zich te hebben of met zich mee te voeren.

  3. Het bepaalde in het tweede lid geldt eveneens voor een terras dat behoort bij een inrichting, alsmede glaswerk bij een buitenbar.

  4. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor de plaats, niet zijnde een inrichting, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

  5. Het is verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode in een horeca inrichting drank in glas te verstrekken.

Artikel 2:28

Overgangsbepaling

Bij een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2:16 geldt, in afwijking van hetgeen is bepaald in artikel 2:17, het hierin genoemde verbod voor de in deze paragraaf genoemde inrichtingen, 3 maanden na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van de inwerkingtreding van het besluit tot het weigeren of intrekken van een aangevraagde vergunning voor zover dat eerder is.

Artikel 2:29

Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 2:15, niet zijnde een sex-inrichting, of een daarbij behorend perceel of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is;

  2. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  3. beheerder / leidinggevende: de natuurlijke persoon die de feitelijke leiding heeft over de bedrijfsmatige activiteiten.

Artikel 2:30

Gebiedsaanwijzing

De burgemeester kan ter bescherming van de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid in de gemeente of een deel daarvan of in en rondom een gebouw, bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod als bedoeld in artikel 2:31 van toepassing is voor:

  1. de hele gemeente; of

  2. een door de burgemeester aangewezen gebied in de gemeente; of

  3. een gebouw.

Artikel 2:31

Vergunningsplicht

  1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester:

    1. een bedrijf te exploiteren wat in het maatschappelijk verkeer wordt verstaan onder smartshop, headshop, belshop of internetcafé te exploiteren;

    2. een bedrijf uit te oefenen indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van artikel 2:30 aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft; of

    3. een bedrijf uit te oefenen in een door de burgemeester op grond van artikel 2:30 aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten.

  2. De vergunningplicht als genoemd in het eerste lid, onder b, is bij aanwijzing van wat in het maatschappelijk verkeer wordt verstaan onder camping of recreatiepark niet van toepassing op (mini-)campings met plaats voor 15 kampeerplaatsen of minder.

  3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:32

Vergunningsaanvraag

  1. De vergunning als bedoeld in artikel 2:31 wordt aangevraagd door de exploitant met gebruikmaking van en door de burgemeester vastgesteld formulier.

  2. In de aanvraag voor de vergunning en in de vergunning worden in ieder geval vermeld:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en de beheerder/leidinggevende;

    2. indien van toepassing de verblijfstitel van de exploitant of beheerder/leidinggevende;

    3. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder/leidinggevende gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    4. voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt aangevraagd;

    5. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    6. het nummer van inschrijving van het bedrijf in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    7. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  3. De burgemeester kan indien hij dat nodig acht voor het beoordelen van de aanvraag verlangen dat aanvullende gegevens worden overlegd.

  4. Per bedrijf wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen.

Artikel 2:33

Wijzigingen in bedrijf

  1. De exploitant is verplicht iedere verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens uiterlijk binnen 2 weken aan de burgemeester te melden.

  2. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning als het bedrijf aan alle vereisten voldoet.

Artikel 2:34

Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:31 weigeren indien:

  1. niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 2:32 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

  2. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn, waarbij ook het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overgelegd, daaronder vallen;

  3. indien het een bedrijf betreft als bedoeld in artikel 2:29, onder a, de exploitant en de beheerder/leidinggevende niet 18 jaar of ouder zijn of niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, lid 1, aanhef en onder b. en c. en lid 2, van de Alcoholwet aan beheerder/leidinggevende gestelde eisen;

  4. de exploitant of beheerder/leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

  5. de exploitant of beheerder/leidinggevende(n) binnen 3 jaar voor de aanvraag het bedrijf een bedrijf of inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde, dan wel aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest;

  6. dit nodig wordt geacht in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

  7. naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie van het bedrijf nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

  8. de bedrijfsmatige activiteiten in strijd zijn met het omgevingsplan;

  9. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 2:35

Vergunningverlening

De burgemeester verleent op de aanvraag als bedoeld in artikel 2:32 de vergunning als er geen weigeringsgronden zijn als genoemd in artikel 2:34.

Artikel 2:36

Afwijking sluitingstijden en sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in het geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer bedrijven, tijdelijk andere dan de voor de betreffende bedrijven geldende sluitingstijden vaststellen.

  2. De burgemeester kan een bedrijf, al dan niet voor een bepaalde termijn, gesloten verklaren indien:

    1. het bedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning als bedoeld in artikel 2:31;

    2. de exploitant of beheerder/leidinggevende handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

  3. De burgemeester kan de opgelegde sluiting opheffen indien later bekend geworden feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Artikel 2:37

Aanwezigheid in gesloten bedrijf

Het is verboden een overeenkomstig artikel 2:36 gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

Artikel 2:38

Aanwezigheid leidinggevende in bedrijf

Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder/leidinggevende aanwezig is.

Artikel 2:39

Intrekkingsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:31 intrekken of wijzigen:

  1. in het geval van een bedrijf als bedoeld in artikel 2:29, onder a, de exploitant of beheerder/leidinggevende niet meer voldoet aan de eisen als genoemd in artikel 2:34, onder c;

  2. indien de exploitant of beheerder/leidinggevende handelt in strijd met de voorschriften die verbonden zijn aan de in artikel 2:31 genoemde vergunning; of

  3. indien de exploitant of beheerder/leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

  4. indien er in het bedrijf strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

  5. indien aannemelijk is dat de exploitant of beheerder/leidinggevende van het bedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit het bedrijf die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting; of

  6. indien zich in of vanuit het bedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het bedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf; of

  7. indien er sprake is van een wijziging in de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor de vergunning als bedoeld in artikel 2:31 is verstrekt en dit niet is gemeld als bedoeld in artikel 2:33; of

  8. indien de bedrijfsmatige activiteiten in strijd zijn met het omgevingsplan; of

  9. indien er sprake is van de omstandigheid en een geval, als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  10. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest, waarbij ook het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overgelegd, hieronder vallen.

Artikel 2:40

Vervallen vergunning

  1. Een ingevolge artikel 2:31 door de burgemeester verstrekte vergunning vervalt indien:

    1. de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor de vergunning was verstrekt voor een periode langer dan 6 maanden is of wordt gestaakt, behalve indien dit is ten gevolge van langdurige ziekte van de exploitant;

    2. een vergunning, strekkende ter vervanging van een op basis van artikel 2:31 verstrekte vergunning, is verleend.

  2. Van het feit dat de vergunning is vervallen op grond van het bepaalde in het eerste lid doet de burgemeester mededeling aan hem op wiens naam de vergunning is gesteld.

Artikel 2:41

College als bevoegd orgaan

Indien een inrichting geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:42

Overgangsbepaling

Bij een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2:30 geldt, in afwijking van hetgeen is bepaald in artikel 2:31, het hierin genoemde verbod voor de in het aanwijzingsbesluit genoemde bedrijfsmatige activiteiten, 3 maanden na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van de inwerkingtreding van het besluit tot het weigeren of intrekken van een aangevraagde vergunning voor zover dat eerder is.

Artikel 2:42a

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of goederen kunnen worden gewonnen.

  2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:42b

Speelgelegenheden

  1. De burgemeester kan speelgelegenheden als bedoeld in artikel 2.42a, eerste lid, aanwijzen als inrichtingen waarvoor het verbod geldt als bedoeld in het tweede lid.

  2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren als deze zijn aangewezen als bedoeld in het eerste lid.

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of de Verordening op speelautomatenhallen en speelautomaten Breda en op speelgelegenheden welke ingevolge artikel 2.17 over een exploitatievergunning beschikken.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning als:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    2. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan; of

    3. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:43

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. organisator:

    1. de betaald voerbalorganisatie NAC Breda, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie NAC Breda als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competentieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie;

    2. de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Breda, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken, dan wel in geval van wedstrijden tussen vertegenwoordigende elftallen;

    3. degene die buiten de gevallen genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaald organisatie is betrokken.

  2. voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld in het eerste lid.

  3. stadion: het voetbalstadion gelegen aan Stadionstraat 23, inclusief het gebied dat wordt omsloten door de parallelweg Lunetstraat (vanaf hoek Spinveld) en de Valveeken, voor zover deze parallel loopt met de Lunetstraat, de spoorlijn Breda-Breda Prinsenbeek en de Westerparklaan, met de daarbij behorende bermen.

  4. supportersplein: het door de burgemeester aangewezen deel van de promenade, grenzend aan het stadion van NAC Breda, dat is ingericht als voetgangersgebied waar bezoekers van voetbalwedstrijden onder toezicht van voetbalorganisatie NAC Breda kunnen samenkomen bij wedstrijden in het stadion van NAC Breda, vanaf twee uur voor aanvang van de wedstrijd tot het begin van de wedstrijd en na het einde van de wedstrijd tot een uur daarna.

Artikel 2:44

Voetbalvergunning

  1. Het is de organisator verboden om zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of laten houden. Een vergunning kan gelden voor een of meer wedstrijden.

  2. De organisator moet de aanvraag voor een vergunning voor een voetbalwedstrijd zoals bedoeld in artikel 2:43, tweede lid, uiterlijk tien weken vóór de eerste wedstrijd van het daaropvolgende voetbalseizoen indienen.

  3. De burgemeester kan in bijzondere gevallen toestaan dat van de in het vorige lid genoemde termijn wordt afgeweken.

  4. Naast de weigeringsgronden als genoemd in artikel 1:7, kan de burgemeester de vergunning weigeren in het belang van de verkeersveiligheid.

  5. De burgemeester kan voorschriften verbinden aan de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:44a

Intrekking of wijziging voetbalvergunning

De vergunning kan, naast de in artikel 1:5 genoemde gronden, worden ingetrokken of gewijzigd als:

  1. er vrees bestaat voor een verstoring van de openbare orde en veiligheid;

  2. de voorschriften die zijn opgelegd op grond van artikel 2:44, vijfde lid, niet worden nageleefd.

Artikel 2:44b

Supportersplein

  1. De burgemeester kan een supportersplein aanwijzen en daarbij voorschriften opleggen.

  2. Op een supportersplein gelden de verboden uit artikel 2:4A, eerste lid, en artikel 5:17, eerste lid, niet, zolang wordt voldaan aan de voorschriften die de burgemeester heeft opgelegd.

Artikel 2:44c

Hardheidsclausule

De burgemeester kan gemotiveerd één of meerdere artikelen van deze afdeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken als de regels in een bijzonder geval tot oneerlijke of onredelijke gevolgen zou leiden.

Artikel 2:45

Opvolgen aanwijzingen van ambtenaar

  1. Een ieder is verplicht bij een voetbalwedstrijd alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.

  2. Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel tegen wie het vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven en te blijven op de wedstrijddag.

Artikel 2:46

Ordeverstoring, onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een betaald voetbalwedstrijd

  1. Het is verboden:

    1. bij een voetbalwedstrijd de orde te verstoren;

    2. bij een voetbalwedstrijd onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken;

    3. vanaf 4 uur voor het vastgestelde begin van een voetbalwedstrijd tot 4 uur na afloop van een voetbalwedstrijd messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, mee te voeren opdat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.

Artikel 2:47

Stadionomgevingsverbod

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf 4 uur vóór het vastgestelde aanvangstijdstip tot 4 uur na afloop van voetbalwedstrijden van de organisator.

  2. Het verbod geldt voor een bepaalde periode, met dien verstande dat deze periode niet langer is dan 2 jaar.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing voor personen die in het gebied van het stadion wonen blijkens de basisregistratie personen.

Artikel 2:48

Supportersstromen

  1. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet om hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken.

  2. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken zijn verplicht in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet om direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken en weg te blijven uit de gemeente.

  3. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de wedstrijd alsmede op een of andere wijze de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren dan wel racistisch gedrag vertonen of racistische uitlatingen doen zijn verplicht zich in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet op eerste aanzegging van de politie buiten de gemeentegrenzen te begeven in de door de politie aan te geven route en richting, behalve indien zij woonachtig zijn in de gemeente Breda.

Artikel 2:49

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:50

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet, aanplakdoek of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen

      Voor zover deze middelen of voorwerpen worden aangeplakt of aangebracht met het doel goederen, diensten of activiteiten aan te prijzen dan wel voor zover het verkeer alleszins in gevaar komt of dreigt te komen.

  3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

Artikel 2:52

Bezit van inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal

  1. Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  2. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  3. De verboden zijn niet van toepassing, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in het eerste lid en tweede lid bedoelde voorwerpen niet bestemd zijn is voor de in het eerste en tweede lid bedoelde handeling.

Artikel 2:56

Hinderlijk drankgebruik op een openbare plaats en in een door het college aangewezen gebied

  1. Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast dan wel hinder veroorzaken aan weggebruikers of bewoners van nabij gelegen woningen of een gerechtvaardigde vrees daarvoor is.

  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het voorts verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a., waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

  4. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 45 van de Alcoholwet.

Artikel 2:57

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen of bij/in (openbare) gebouwen

  1. Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden:

    1. In een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

    2. in een portiek of poort.

  2. Het is verboden op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair.

  3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  4. Het is verboden zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt.

Artikel 2:59

Hinder in verband met bedreiging van de openbare orde (samenscholing)

  1. Het is verboden op of aan een openbare plaats, die door de burgemeester is aangewezen omdat het belang van de bescherming van de openbare orde dit naar zijn oordeel nodig maakt, deel te nemen aan een groep van meer dan vier personen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat deze groep een bedreiging van de openbare orde met zich meebrengt.

  2. De aanwijzing van een openbare plaats, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven voor ten hoogste zes maanden, welke termijn telkenmale kan worden verlengd.

  3. Degene die zich bevindt in een groep als in het eerste lid bedoeld is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangegeven richting te verwijderen.

Artikel 2:60

Verblijfsontzegging

  1. Een ieder is verplicht op een daartoe strekkend besluit, schriftelijk genomen door of namens de burgemeester in het belang van de openbare orde, zich te verwijderen en verwijderd te houden uit een door de burgemeester aangewezen gebied gedurende de tijd die in dat besluit genoemd is.

  2. Het gebod is niet van toepassing op personen, die in het aangewezen gebied:

    1. zich bevinden in een middel van openbaar vervoer;

    2. werkzaam zijn dan wel aldaar ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling voor zover het betreft de looproute die de burgemeester heeft aangewezen in het door hem aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid;

    3. volgens de bevolkingsadministratie aldaar woonachtig zijn voor zover het betreft de looproute die de burgemeester heeft aangewezen in het door hem aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid.

  3. Een besluit als bedoeld in het eerste lid is slechts geldig gedurende een in het besluit genoemde aaneengesloten periode van ten hoogste 12 weken of voor door de burgemeester vast te stellen tijdstippen of perioden verspreid over ten hoogste 84 dagen binnen een tijdvak van ten hoogste twee jaar.

Artikel 2:61

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op de weg of op een andere voor publiek toegankelijke plaats of van daar zichtbaar, zijn natuurlijke behoefte te doen elders dan in de daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 2:62

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond of degene die een hond onder toezicht heeft, verboden die hond te laten verblijven of laten lopen:

    1. op een openbare plaats zonder dat die hond zich onder geleide of voldoende toezicht bevindt;

    2. op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is, behalve op plaatsen die door het college als zodanig zijn aangewezen;

    3. op een voor het publiek toegankelijk en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    4. in een door het college aangewezen deel van de gemeente, tenzij het college daarvoor ontheffing verleend.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

    1. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

    2. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:63

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor zorg te dragen dat hij te allen tijde over de nodige doeltreffende hulpmiddelen beschikt, die geschikt zijn voor de verwijdering van de uitwerpselen.

  3. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht het hulpmiddel als bedoeld in het tweede lid op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien.

  4. De voorgaande drie leden zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hond laat begeleiden.

  5. Het bepaalde in de eerste drie leden zijn voorts niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:64

Gevaarlijke honden en hoogrisico honden

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. muilkorf:

      1. een muilkorf die vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

      2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is gebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

      3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

    2. aanlijngebod: de eigenaar of houder is verplicht de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter;

    3. muilkorfgebod: de eigenaar of houder is verplicht de hond te voorzien van een muilkorf.

  2. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan de burgemeester aan de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen, voor zover de hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  3. Onverminderd artikel 2:62, eerste lid, aanhef en onder sub d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

  4. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

    1. anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

    2. anders dan voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

  5. De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van gevaarlijke honden en hoog risicohonden.

Artikel 2:64A

Gevaarlijke honden op eigen terrein

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:64 tweede lid, of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    2. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

    3. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:65

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden om één of meerdere dieren op zodanige wijze te houden dat daardoor schade, hinder of overlast voor de omgeving wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  3. Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 2:66

Bedelarij

Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2:67

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:68

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:69

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen 3 dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij een beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;

    3. dat hij een beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste 3 dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:70

Drugsoverlast

  1. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

  2. Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:71

Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen en/of erven

  1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten, als daar:

    1. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend;

    2. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;

    3. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; of

    4. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de burgemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk gebouw en/of het bij dat gebouw behorende erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven waaruit dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang tot het gebouw of het erf.

  3. De rechthebbende van het gebouw en/of erf is verplicht toe te laten dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

  4. Het is de rechthebbende van het gebouw en/of erf verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te verblijven.

  5. Het is eenieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, in ene bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

  6. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.

  7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door deze verordening of door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:72

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1; 2:14; 2:46; 2:47 of 2:54 van de onderhavige verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:73

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:74

Cameratoezicht op openbare plaatsen

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op openbare plaatsen, in de gehele gemeente Breda. Voor gebieden waar de bebouwing primair en uitsluitend wordt gebruikt voor bewoning, gelden de volgende voorwaarden:

  1. Omwonenden worden door de burgemeester vooraf actief geïnformeerd over de plaatsing van camera’s en de reden voor cameratoezicht op de betreffende plaats. Uitsluitend als de spoedeisendheid of de kans op beïnvloeding van het toezicht daartoe noodzaakt, volstaat het om achteraf te informeren.

  2. Cameratoezicht dient proportioneel en subsidiair te zijn en wordt derhalve door de burgemeester uitsluitend ingezet bij een aantoonbaar risico op verstoring van de openbare orde en veiligheid en wanneer andere maatregelen niet afdoende zijn.

  3. De burgemeester legt periodiek verantwoording af aan de gemeenteraad over de toepassing van cameratoezicht in woongebieden en gaat daarbij in op bovenstaande voorwaarden. Telkens wordt toegelicht waarom cameratoezicht het ultimum remedium was.

Artikel 2:75

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen.

  3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:76

Definitie

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2:77

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:78:

Carbidschieten

  1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:79

Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen

  1. Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen (of voorwerpen) als bedoeld in artikel 2:78 te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 2:78.

  2. Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:80

Liggen of slapen op of aan de weg bij extreme vrieskou

Het is verboden op of aan de weg tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen bij een gevoelstemperatuur van –10 ºC of kouder, nadat een ambtenaar van politie, of een door of namens het college aangewezen toezichthouder in het belang van de openbare orde of veiligheid het bevel heeft gegeven dat dit moet worden beëindigd.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018