1. De burgemeester kan speelgelegenheden als bedoeld in artikel 2.42a, eerste lid, aanwijzen als inrichtingen waarvoor het verbod geldt als bedoeld in het tweede lid.

  2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren als deze zijn aangewezen als bedoeld in het eerste lid.

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of de Verordening op speelautomatenhallen en speelautomaten Breda en op speelgelegenheden welke ingevolge artikel 2.17 over een exploitatievergunning beschikken.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning als:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    2. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan; of

    3. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.