Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Bruikbaarheid van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Paragraaf Horeca
Paragraaf Overige bedrijven
Paragraaf Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Voetbal
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen en/of erven op basis van wapens, illegaal gokken e.d.
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen en woonoverlast
Afdeling Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Afdeling Extreme vrieskou
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en de natuur
Hoofdstuk Overige te regelen onderwerpen
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en de natuur

Artikel 4:1:a

Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dit besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  2. Inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4.2 tot en met 4.5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  3. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  4. collectieve festiviteit: openbare feestelijkheid die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden. Tot collectieve feestdagen zijn te rekenen oudjaarsnacht, carnavalsweek vrijdag t/m dinsdag en koningsnacht;

  5. incidentele festiviteit: openbare feestelijkheid of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  6. geluidsgevoelige gebouwen: Woningen en verblijfsruimten binnen onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, psychiatrische inrichting en kinderdagverblijven. Onder verblijfsruimte wordt verstaan:

    • leslokalen en theorie(vak)lokalen van onderwijsgebouwen;

    • onderzoeks-, behandelings-, recreatie-, en conversatieruimten, alsmede ruimten voor patiëntenhuisvesting van ziekenhuizen en verpleeghuizen;

      onderzoeks-, behandelings-, recreatie-, en conversatieruimten, alsmede woon- en slaapruimten van verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven;

  7. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt;

  8. ballon: een voorwerp dat door middel van open vuur, helium of andere gassen opstijgt en zonder sturing wegdrijft.

Artikel 4:1:b:

Aanwijzing collectieve dagen voor inrichtingen met als hoofdfunctie “Horeca” binnen de singels (centrumhoreca) en buurthuizen

  1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor collectieve festiviteiten voor in totaal 7 dagen per kalenderjaar in plaats daarvan gelden afwijkende normen.

  2. De collectieve dagen zoals hierboven beschreven zijn enkel van toepassing voor inrichtingen met horeca als hoofdfunctie binnen de singels. Voor overige functies die vallen onder de regeling (sport- recreatie-inrichtingen en horecagelegenheden buiten de singels en buurthuizen) wordt verwezen naar artikel 4:1:c:

  3. Tijdens het van toepassing zijn van een collectieve festiviteit, mag het geluidsniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel.

  4. De geluidnorm als bedoeld in het vierde lid heeft betrekking op versterkte muziek, waarbij nog gecorrigeerd moet worden voor muziekgeluid (10 dB) alvorens getoetst wordt aan de grenswaarde. Correctie voor het feit dat de inrichting niet een gehele etmaalperiode in bedrijf is (bedrijfsduurcorrectie) is op deze waarde niet van toepassing.

  5. Tijdens een collectieve festiviteit, zijn normen voor het maximaal geluiddrukniveau (LA;Max) niet van toepassing.

  6. Op collectieve dagen gelden verruimde geluidnormen tot uiterlijk 01:00 uur. Dit tijdstip op de navolgende dag wordt beoordeeld als behorende bij de dag van de festiviteit. Na dat tijdstip zijn de reguliere normen uit het Besluit weer van kracht.

  7. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid bij inpandige festiviteiten blijven ramen en deuren gesloten behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  8. De burgemeester kan besluiten het organiseren van een collectieve festiviteit geheel of gedeeltelijk te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

Artikel 4:1:c:

Kennisgeving incidentele festiviteiten (sport-, recreatieinrichtingen, horecagelegenheden buiten de singels en buurthuizen)

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste drie werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  2. Het is een sportinrichting toegestaan maximaal 6 incidentele activiteiten per kalenderjaar te houden waarbij baanverlichting tot 01.00u in bedrijf mag zijn, mits de houder van de inrichting ten minste drie werkdagen voor aanvang van de activiteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  3. Het college van B&W stelt een webformulier beschikbaar voor het doen van een kennisgeving.

  4. Voor een goede beoordeling van de kennisgeving moet de kennisgeving in ieder geval de volgende gegevens bevatten:

    • naw-gegevens aanvrager;

    • datum van de incidentele festiviteit;

    • aard van de incidentele festiviteit.

  5. Tenminste vijf werkdagen voor de aanvang van de incidentele festiviteit stelt de houder van de inrichting omwonenden binnen een straal van 100 meter van de inrichting in kennis.

  6. Tijdens het van toepassing zijn van een incidentele festiviteit, mag het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarden die zijn opgenomen in tabel opgenomen in artikel 4:1:b lid 3.

  7. Indien door omstandigheden de gemelde festiviteit niet doorgaat, dan neemt aanvrager contact op met gemeente Breda. In overleg blijft de geluidruimte via verruimde geluidnormen beschikbaar voor initiatiefnemer.

  8. Het geluidsniveau als bedoeld in het zesde lid heeft betrekking op zowel versterkte als onversterkte muziek, waarbij nog gecorrigeerd moet worden voor muziekgeluid (10 dB) voor getoetst wordt aan de grenswaarde. Bedrijfsduurcorrectie is op deze waarde niet van toepassing.

  9. Tijdens incidentele festiviteiten als bedoeld in het eerste lid, zijn normen voor het maximaal geluiddrukniveau (LA;Max) niet van toepassing.

  10. Tijdens incidentele festiviteiten eindigen de verruimde geluidnormen om 01:00 uur. Dit tijdstip op de navolgende dag wordt beoordeeld als behorende bij de dag van de festiviteit

  11. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid bij inpandige festiviteiten blijven ramen en deuren gesloten behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  12. De incidentele festiviteiten dienen, uitgezonderd geluidnormen, plaats te vinden in overeenstemming met het omgevingsplan, omgevingsvergunning en overige wetten die van toepassing zijn voor de inrichting.

  13. De burgemeester kan besluiten het organiseren van een incidentele festiviteit geheel of gedeeltelijk te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

Artikel 4:2:

Overige geluidshinder (Algemeen)

Algemeen

  1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het College van B&W kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:3

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:4

Nachtverblijf buiten een kampeerterrein

  1. Het is verboden ten behoeve van een nachtverblijf buiten een kampeerterrein, dat als zodanig in het omgevingsplan is opgenomen:

    1. kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden;

    2. al dan niet in een voertuig, te overnachten, dan wel een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

  2. Het verbod geldt niet voor:

    1. het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein, niet zijnde een openbare ruimte;

    2. voor de als zodanig aangeduide camperplaatsen aan de Nijverheidssingel.

    3. Truckparking Hazeldonk

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    1. de bescherming van natuur en landschap;

    2. de bescherming van een stadsgezicht.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:7

begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. Afzetten: onderhouds- c.q. beheermaatregel binnen een Landschapselement, in de vorm van het periodiek kappen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud, waarbij de houtopstand tot op enkele (tientallen) centimeters boven de grond wordt afgezaagd met als doel, naast eventuele houtoogst, het verjongen van de houtopstand ter verbetering en bestendiging van het ecologisch functioneren van de houtopstand.

    2. Bevoegd gezag: Bevoegd gezag zoals bedoeld in de Omgevingswet.

    3. Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor bomen, op basis van landelijke richtlijnen als neergelegd in het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen.

    4. Boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven met een minimale hoogte van 200 centimeter en een duidelijke - al dan niet betakte - stam en een duidelijke kroon, met dien verstande dat, indien een duidelijke kroon ontbreekt als gevolg van het knotten deze houtopstand tevens wordt aangemerkt als boom.

    5. Boom op basis van herplant- en instandhoudingsplicht: boom die is aangelegd op basis van aan de omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van houtopstanden verbonden voorschrift tot herplant en instandhouding.

    6. Boomvormers: Een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken.

    7. Dendrologie: de studie van bomen, heesters en in het algemeen houtachtige gewassen.

    8. Dunnen: onderhouds- c.q. beheermaatregel binnen een Landschapselement, in de vorm van kap als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei en instandhouding van de overblijvende houtopstand waardoor een betere structuur in de houtopstand wordt gecreëerd, met als doel, naast eventuele houtoogst, het bevorderen van de groeiomstandigheden (zowel boven- als ondergronds) van de overblijvende houtopstanden en eventueel het beïnvloeden van de soortensamenstelling ter verbetering en bestendiging van het ecologisch functioneren van de houtopstand, een en ander met behoud van het boskarakter.

    9. Groengebied: Een gebied met een duidelijke ruimtelijke samenhang en begrenzing, waarin zich meerdere bomen bevinden en dat een uitgesproken groene functie heeft en/of specifiek is ingericht ten behoeve van een kwalitatieve verblijfservaring in het groen.

    10. Herplantplan: Plan waaruit blijkt dat door herplant van een houtopstand een evenredige compensatie plaats vindt van de waarde(n) die met het vellen van een waardevolle houtopstand verloren gaat/gaan.

    11. Houtopstanden: Een of meer bomen, boomvormers, andere houtachtige gewassen, Groengebieden en/of Landschapselementen.

    12. Kruidlaag: Vegetatielaag tot maximaal 135 centimeter hoog, gelegen tussen struiklaag en moslaag, waarin zich vooral kruidachtige planten bevinden en jonge planten die kunnen doorgroeien naar de struik- of boomlaag.

    13. Landschapselement: Een lijn- of vlakvormig element dat bestaat uit één of meer bomen, een struiklaag, een kruidlaag, een moslaag en/of een strooisellaag.

    14. Moslaag: Vegetatielaag van planten tot maximaal 10 centimeter hoog, waar vooral mossen, schimmels en kiemplanten groeien.

    15. Periodiek regulier onderhoud: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen hakhout.

    16. Strooisellaag: Dat deel van de bodem waar afgevallen bladeren, vruchten en ander organisch materiaal ter plaatse verteren (ook wel humus genoemd).

    17. Struiklaag: Vegetatielaag tot maximaal 800 centimeter hoog, gelegen tussen boomlaag en kruidlaag, waarin zich vooral struiken, klimplanten en jonge bomen bevinden.

    18. Vellen: rooien; kappen; kandelaberen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van knotten of kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die tot de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand kunnen leiden.

    19. Waardevolle houtopstanden: Houtopstanden die op basis van aanwezige waarde(n) worden beschouwd als behoudenswaardig en/of houtopstanden die zijn/moeten worden aangeplant op basis van een herplantplicht.

Artikel 4:8

Waardevolle houtopstanden

  1. Het college wijst houtopstanden aan als Waardevolle houtopstanden, mits de conditie en de groeiruimte van de houtopstand aanvaardbaar zijn en de houtopstand beschikt over één of meer van de volgende waarden:

    1. Cultuurhistorie;

    2. Stedenbouw en/of landschap;

    3. Ecologie;

    4. Klimaat;

    5. Dendrologie.

  2. Het college wijst houtopstanden aan als Waardevolle houtopstanden als deze houtopstanden zijn/moeten worden aangeplant op basis van een herplantplicht, als bedoeld in artikel 4.12 of 4.14.

  3. De Waardevolle houtopstanden worden na aanwijzing als bedoeld in lid 1 en 2, opgenomen op de ‘Bomenkaart; vergunningplichtige houtopstanden’

  4. Het besluit als bedoeld in lid 1 en 2 wordt voorbereid met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure. Tegen dit besluit is bezwaar en (hoger)beroep mogelijk op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

  5. Op besluit als bedoeld in lid 1 en 2 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:9

Ambtshalve of op verzoek aanwijzen Waardevolle houtopstanden

  1. Het college kan zowel ambtshalve als op verzoek van een belanghebbende besluiten tot het aanwijzen van Waardevolle houtopstanden, mits:

    1. De houtopstand zich niet bevindt binnen in artikel 4:18 genoemde afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij er sprake is van verjaring van het recht om de verwijdering te vorderen, en

    2. wordt voldaan aan artikel 4:8, lid 1.

  2. Een verzoek of het ambtshalve voornemen, als bedoeld in lid 1, wordt

    1. door de aanvrager voorzien van een deugdelijke motivering waaruit blijkt dat de houtopstand(en) beschikt over één of meer van de waarden als bedoeld in artikel 4:8 lid 1;

    2. op de gebruikelijke wijze openbaar bekend gemaakt;

    3. aan de eigenaar zo spoedig mogelijk bekend gemaakt en daarbij wordt de eigenaar in de gelegenheid gesteld daarop een reactie kenbaar te maken, indien deze niet zelf om de aanwijzing heeft verzocht.

  3. Voor houtopstanden waarvoor een verzoek dan wel een ambtshalve voornemen als bedoeld in lid 1 van toepassing is, treedt een verbod op het (doen) vellen van de houtopstanden in werking vanaf de dag waarop het verzoek of het ambtshalve voornemen bekend is gemaakt. Dit verbod wordt opgeheven indien het college de houtopstanden niet aanwijst als Waardevolle houtopstand.

  4. Het besluit als bedoeld in lid 1 wordt ook bekend gemaakt aan de eigenaar, indien deze niet zelf om de aanwijzing heeft verzocht.

  5. Op een besluit als bedoeld in lid 1 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdige beslissing) niet van toepassing.

Artikel 4:10

Verbod op het vellen van Waardevolle houtopstanden

  1. Het is verboden om Waardevolle houtopstanden, als bedoeld in artikel 4:8, te (doen) vellen.

  2. Het in het eerste lid bedoelde verbod op het (doen) vellen van Waardevolle houtopstanden is niet van toepassing op:

    1. binnen een Groengebied gelegen houtopstanden met een stamomtrek van maximaal 64 cm, gemeten op een hoogte van 130 centimeter boven het maaiveld, waarbij in het geval van meerstammigheid de omtrek van de dikste stam wordt gemeten;;

    2. Houtopstanden waarvoor een vergunningplicht geldt voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij het Omgevingsplan is bepaald.

    3. houtopstanden die moeten worden geveld op grond van de Plantziektenwet of een aanschrijving van het bevoegd gezag;

    4. periodiek onderhoud van houtopstanden, waaronder binnen een Landschapselement ook dunnen en afzetten worden verstaan.

Artikel 4:11

Ontheffing

  1. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod uit artikel 4:10 door het verlenen van een omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van Waardevolle houtopstanden.

  2. Een ontheffing als bedoeld in lid 1 van dit artikel kan slechts bij uitzondering worden verleend, als:

    1. uit een integrale afweging is gebleken dat er een zwaarder wegend belang bestaat dan het belang van behoud van de Waardevolle houtopstand en alternatieven voor behoud goed zijn onderzocht en niet haalbaar zijn gebleken, of

    2. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.

  3. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van Waardevolle houtopstanden kan worden ingediend door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de boom te beschikken.

  4. Afhankelijk van de reden van aanvraag om een ontheffing als bedoeld in lid 1, moet de aanvraag voorzien zijn van:

    1. een Bomen Effect Analyse, om aan te tonen dat en hoe de te behouden houtopstanden in de omgeving van de uit te voeren werkzaamheden duurzaam worden behouden;

    2. een deskundigenrapportage over de vitaliteit en/of de stabiliteit van de Waardevolle houtopstand, om aan te tonen dat en in welke mate er sprake is van een verminderde vitaliteit en/of stabiliteit bij de Waardevolle houtopstand waar de aanvraag betrekking op heeft. Tevens moet uit deze deskundigenrapportage blijken wat de oorzaak is van de verminderde vitaliteit of stabiliteit;

    3. een deskundigenrapportage over het verplanten van de Waardevolle houtopstand, om de haalbaarheid van het verplanten aan te tonen en om aan te tonen welke (voorbereidings)maatregelen hiervoor nodig zijn en genomen worden.

  5. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van Waardevolle houtopstanden moet voorzien zijn van een Herplantplan waarin wordt aangegeven hoe de compensatie plaatsvindt van de waarden van de te (doen) vellen houtopstanden.

  6. Indien de aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1, op het moment van aanvraag redelijkerwijs, bijvoorbeeld bij acuut gevaar of vergelijkbaar spoedeisend belang van openbare orde of veiligheid, niet beschikt over een herplantplan en de wel verstrekte gegevens voldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag wordt, in afwijking van hetgeen bepaald in lid 3 van dit artikel, het herplantplan op een later tijdstip, doch niet later dan 6 weken na de beslissing op de aanvraag, overlegd.

  7. Op het moment dat de omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van Waardevolle houtopstanden onherroepelijk is worden de Waardevolle houtopstanden verwijderd van de ‘Bomenkaart; vergunningplichtige houtopstanden’ (bijlage 1).

Artikel 4:12

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Aan de omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van houtopstanden kan het bevoegd gezag het voorschrift verbinden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden overgegaan tot geheel of gedeeltelijke herplant, al dan niet overeenkomstig het bij aanvraag overlegde en door het college goedgekeurde Herplantplan.

  2. Het bevoegd gezag kan aan de herplantplicht als bedoeld in het eerste, een redelijke termijn verbinden waarbinnen eventuele niet aangeslagen herplant moet worden vervangen en op welke wijze.

  3. Indien redelijkerwijs niet (volledig) kan worden voldaan aan de herplantplicht kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel en aan de omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van houtopstanden het voorschrift verbinden dat een financiële bijdrage wordt gestort.

Artikel 4:13

Moment benutting omgevingsvergunning

Aan de omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van Waardevolle houtopstanden die is verleend in relatie tot (bouw)werkzaamheden, het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie, kan het bevoegd gezag het voorschrift verbinden dat pas mag worden overgegaan tot het (doen) vellen van houtopstanden bij het starten van de (bouw)werkzaamheden.

Artikel 4:14

Illegaal vellen / tenietgaan van houtopstanden

  1. Als zonder omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van Waardevolle houtopstanden is overgegaan tot het (laten) vellen van deze Waardevolle houtopstanden, dan wel dat deze Waardevolle houtopstanden op andere wijze teniet zijn gegaan, kan het bevoegd gezag aan de eigenaar of aan de overtreder indien deze niet de eigenaar van de Waardevolle houtopstand is, de verplichting opleggen dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  2. Indien redelijkerwijs niet (volledig) kan worden voldaan aan de herplantplicht uit lid 1, kan het bevoegd gezag, in afwijking van lid 1, aan de eigenaar of aan de overtreder indien deze niet de eigenaar van de Waardevolle houtopstand is, de verplichting opleggen dat moet worden overgegaan tot het storten van een financiële bijdrage.

  3. Indien Waardevolle houtopstanden in het voortbestaan ernstig worden bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de eigenaar of aan de overtreder indien deze niet de eigenaar van de Waardevolle houtopstand is, de verplichting opleggen om:

    1. overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

    2. een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag.

  4. De eigenaar of de overtreder indien deze niet de eigenaar van de Waardevolle houtopstand is, is verplicht het bevoegd gezag onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van:

    1. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van deze houtopstanden, anders dan door het (doen) vellen op grond van een verleende omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van houtopstanden;

    2. omstandigheden die het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van deze houtopstanden tot gevolg kunnen hebben, zoals de uitvoering van werkzaamheden.

Artikel 4:15

Schadevergoeding

Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17 van de Boswet.

Artikel 4:16

Bescherming gemeentelijke houtopstanden

  1. Het is verboden om gemeentelijke houtopstanden;

    1. te beschadigen, te bekladden of te beplakken.

    2. te snoeien behalve bij door de gemeente opgedragen boomverzorgende taken.

  2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een gemeentelijke houtopstanden aan te brengen of anderszins te bevestigen, behalve als hier een vergunning voor verleend is door het bevoegd gezag.

Artikel 4:17

Bestrijding van boomziekten

  1. Als zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten en schimmels, is de eigenaar, als hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. de boom te kappen;

    2. conform richtlijnen van de gemeente de gekapte boom direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden, zonder vergunning, gekapte bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, als het om een boomsoort gaat die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

Artikel 4:18

Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.

Artikel 4:20

Confetti en serpentines

  1. Het is verboden confetti en serpentines, van een ander materiaal dan afbreekbaar papier, in de openbare ruimte te gebruiken en/of te verspreiden.

  2. Onder confetti wordt verstaan: feestversiering die het meest voorkomt in de vorm van over een menigte uit te strooien snippers. Onder serpentines wordt verstaan: feestartikel dat bestaat uit smalle ringen van stijf opgerolde stroken die men elkaar toewerpt bij feestelijke gelegenheden.

Artikel 4:21

Verbod ballonnen op te laten

  1. Het is verboden ballonnen van welk materiaal dan ook op te laten stijgen.

  2. Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, sfeerballon, papierballon, geluksballon of -lampion, vuurballon, Thaise wensballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur, helium of andere gassen opstijgt en zonder sturing wegdrijft.

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een heteluchtballon, zijnde een luchtvaartuig.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018