1. Het college kan zowel ambtshalve als op verzoek van een belanghebbende besluiten tot het aanwijzen van Waardevolle houtopstanden, mits:

    1. De houtopstand zich niet bevindt binnen in artikel 4:18 genoemde afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij er sprake is van verjaring van het recht om de verwijdering te vorderen, en

    2. wordt voldaan aan artikel 4:8, lid 1.

  2. Een verzoek of het ambtshalve voornemen, als bedoeld in lid 1, wordt

    1. door de aanvrager voorzien van een deugdelijke motivering waaruit blijkt dat de houtopstand(en) beschikt over één of meer van de waarden als bedoeld in artikel 4:8 lid 1;

    2. op de gebruikelijke wijze openbaar bekend gemaakt;

    3. aan de eigenaar zo spoedig mogelijk bekend gemaakt en daarbij wordt de eigenaar in de gelegenheid gesteld daarop een reactie kenbaar te maken, indien deze niet zelf om de aanwijzing heeft verzocht.

  3. Voor houtopstanden waarvoor een verzoek dan wel een ambtshalve voornemen als bedoeld in lid 1 van toepassing is, treedt een verbod op het (doen) vellen van de houtopstanden in werking vanaf de dag waarop het verzoek of het ambtshalve voornemen bekend is gemaakt. Dit verbod wordt opgeheven indien het college de houtopstanden niet aanwijst als Waardevolle houtopstand.

  4. Het besluit als bedoeld in lid 1 wordt ook bekend gemaakt aan de eigenaar, indien deze niet zelf om de aanwijzing heeft verzocht.

  5. Op een besluit als bedoeld in lid 1 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdige beslissing) niet van toepassing.