Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Bruikbaarheid van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Paragraaf Horeca
Paragraaf Overige bedrijven
Paragraaf Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Voetbal
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen en/of erven op basis van wapens, illegaal gokken e.d.
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen en woonoverlast
Afdeling Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Afdeling Extreme vrieskou
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en de natuur
Hoofdstuk Overige te regelen onderwerpen
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Overige te regelen onderwerpen

Artikel 5:1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. kruiwagens, rolstoelen, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen;

  2. parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen;

  3. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:

    1. treinen en trams;

    2. fietsen en bromfietsen;

    3. gehandicaptenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    4. weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:2

Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

  1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    1. 3 of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:

    1. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    2. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    2. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

Artikel 5:3

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op 3 achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5

Voertuigwrakken

  1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet Milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6

Kampeermiddelen e.d.

  1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    1. langer dan gedurende 3 achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;

    2. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de omgeving.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid onder a.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:7

Parkeren van reclamevoertuigen

  1. Het is verboden een voertuig, fiets en bromfiets dat respectievelijk die is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8

Parkeren van grote voertuigen

  1. Het is verboden een vrachtwagen > 3500 kg te parkeren op wegen gelegen binnen de bebouwde kom.

  2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet:

    1. op parkeergelegenheden die voor vrachtwagens zijn aangeduid;

    2. op daarvoor beschikbare plaatsen op bedrijventerreinen en industriegebieden;

    3. gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van de verbod in het eerste lid.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9

Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is verboden de groenvoorziening aan te tasten door: met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door een park of plantsoen of door een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of daarin een voertuig, fiets of bromfiets tot stilstand te brengen of te laten staan.

  2. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. de weg;

    2. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en

    3. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:11

Overlast van fiets en bromfiets

  1. Het is verboden om in door het college aangewezen gebieden:

    1. een (brom-)fiets buiten de daarvoor bestemde voorzieningen, plaatsen of ruimten te parkeren;

    2. een (brom-)fiets langer dan een door het college te bepalen periode te parkeren.

  2. Het is verboden:

    1. een (brom-)fiets die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een kennelijke verwaarloosde toestand verkeert, op of aan de weg te laten staan;

    2. een (brom-)fiets op of aan de weg te plaatsen of te laten staan op zodanige wijze dat daardoor schade, gevaar of hinder ontstaat voor het gebruik van de weg, openbare gezondheid en/of de toegankelijkheid, het beheer of onderhoud van gebouwen, objecten of (verkeers)voorzieningen.

Artikel 5:12

Straatvegen, werkzaamheden van de gemeente

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeente aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 5:13

Inzameling van geld of goederen

  1. Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, tenzij voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    1. ten minste 15 dagen voorafgaande aan de inzameling is een schriftelijke melding aan het college gedaan via het door het college vastgesteld meldingsformulier;

    2. het aantal te houden collectes in één week bedraagt niet meer dan 2, waarbij de collectes die voorkomen op het collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving voorrang hebben en voor de overige collectes de datum dan wel het tijdstip van binnenkomst van de melding bepalend is;

    3. de collectanten zijn 14 jaar of ouder en hebben een geldig legitimatiebewijs en bewijs van de collecterende instantie bij zich;

    4. de collectebussen zijn verzegeld óf met een sleutelslot óf plombe en op de collectebussen staat duidelijk de naam en/of het doel van de collecterende instelling vermeld.

  2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  3. Het verbod is niet van toepassing voor een inzameling die in besloten kring wordt gehouden.

Artikel 5:14

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet ;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:16.

Artikel 5:15

Ventverbod

  1. Het is verboden te venten:

    1. op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen plaatsen; of

    2. op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen dagen en uren.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

  5. Het verbod is voorts niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

  6. In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid is het venten van gedrukte en geschreven stukken verboden op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren.

Artikel 5:16

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet ;

    2. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:10.

Artikel 5:17

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een omgevingsplan.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de vergunning worden geweigerd:

    1. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    2. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

  4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  5. Het verbod uit het eerste lid geldt niet op een supportersplein dat door de burgemeester is aangewezen op grond van artikel 2:44b.

Artikel 5:18

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:19

Afbakeningsbepalingen

  1. Het verbod van artikel 5:17, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  2. De weigeringsgrond van artikel 5:17, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:20

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

  2. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  3. Het verbod is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboekvan Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5:21

Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

  1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  2. Het is verboden zonder vergunning van het college een ligplaats met dan wel voor een vaartuig in of beschikbaar te stellen op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van het openbaar water.

  3. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    1. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

    2. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

  4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.

  5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

Artikel 5:21a

Wachtlijst ligplaatsvergunning

  1. Een ieder kan een verzoek indienen om op de wachtlijst te worden geplaatst voor een ligplaatsvergunning op basis van de datum en tijdstip van het verzoek. Bij gelijke datum en tijdstip wordt geloot.

  2. Indien een plaats vrijkomt, stelt het college de op de wachtlijst geplaatste gegadigden, te beginnen met de hoogst geplaatste, in de gelegenheid een aanvraag voor een ligplaatsvergunning in te dienen. Na vergunningverlening wordt de vermelding op de wachtlijst doorgehaald. Indien aan personen aan wie reeds eerder een ligplaatsvergunning is verleend, een nieuwe ligplaatsvergunning wordt verleend, komt de eerder verleende vergunning te vervallen.

  3. Indien de aanvraag niet binnen zes weken na de datum van verzending van het in het derde lid bedoeld schrijven is ontvangen wordt de naam van de betrokken persoon van de wachtlijst geschrapt.

  4. Degene die binnen de gestelde termijn van zes weken wel reageert en gemotiveerd meldt geen gebruik te willen maken van de gelegenheid een aanvraag voor een nieuwe ligplaatsvergunning in te dienen, behoudt de registratie alsmede de positie op de wachtlijst.

  5. De op de wachtlijst geplaatste personen zijn verplicht zorg te dragen voor de actualisatie van hun gegevens.

Artikel 5:22

Aanwijzingen ligplaats

  1. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

  2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

  3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op situaties met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.

Artikel 5:23

Verbod innemen ligplaats

Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:21, derde lid, en artikel 5:22 bepaalde.

Artikel 5:28

Crossterreinen

  1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    2. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    3. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  3. Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, artikel 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5:29

Beperking verkeer in natuurgebieden

  1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.

  2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is en kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

    1. in het belang van het voorkomen van overlast;

    2. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    3. in het belang van de veiligheid van het publiek.

  3. Het verbod is niet van toepassing op bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    1. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

    2. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen;

    3. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    4. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen;

    5. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen;

    6. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 die zijn gelegen binnen de in het eerste lid gebieden of terreinen;

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:30

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:31

Verboden plaatsen

  1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    1. verharde delen van de weg;

    2. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:33

Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018