Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2025 (BPR2500211/25BW000130) BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging en anderen
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen en dergelijke op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op Speelautomaten, Speelautomatenhallen en Gamecentra
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Afdeling Tegengaan uitbuiting en onevenredige benadeling huurders
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling Overlastgevende personen en woonoverlast
Hoofdstuk Regulering prostitutie en seksbranche
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs,- en slotbepalingen

Afdeling

Openbare inrichtingen

Artikel 2:27

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Bezoeker: een ieder, die zich in een horecabedrijf bevindt, met uitzondering van:

    1. de exploitant(en) en de levenspartner en kinderen van de exploitant(en) van het horecabedrijf;

    2. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het wetboek van strafrecht;

    3. de personen wier tegenwoordigheid in het horecabedrijf wegens dringende omstandigheden vereist wordt;

    4. leidinggevenden/werknemers/personen in loondienst van het horecabedrijf of een schoonmaakbedrijf, in verband met (schoonmaak)werkzaamheden.

  2. Centrum: het gebied dat op de in bijlage 1 opgenomen kaart is aangegeven.

  3. Coffeeshop: een openbare inrichting primair gericht op verstrekking van cannabisproducten;

  4. Exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  5. Exploitatievergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid;

  6. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  7. Leidinggevende:

    1. de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin het horecabedrijf wordt geëxploiteerd;

    2. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van het horecabedrijf.

  8. Openbare inrichting:

    1. horecabedrijven, inhoudende de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder horecabedrijf wordt mede verstaan een bij het horecabedrijf behorend terras en andere aanhorigheden;

    2. voor publiek openstaande lokaliteiten, die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, voor zover daar regelmatig of op gezette tijden:

      • amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van een speelautomatenhal of een gamecenter.

  9. Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet.

  10. Restaurant: een openbare inrichting primair gericht op verstrekking van driecomponentenmaaltijden.

  11. Terras: een buiten de besloten ruimte liggend gedeelte van een horecabedrijf, waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden om tegen vergoeding dranken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse te nuttigen.

  12. Terrasmeubilair: alle attributen die in de openbare ruimte worden geplaatst ten behoeve van de exploitatie van het terras, waaronder in ieder geval: stoelen, krukken, banken, tafels, statafels, tonnen, parasols, terrasafscherming zoals schermen, hekwerk en plantenbakken, staande asbakken, menuborden, uitklapborden, overig reclame- en displaymateriaal, vrijstaande terrasverwarming

  13. Stationsgebied: het gebied dat op de in bijlage 2 opgenomen kaart is aangegeven.

Artikel 2:28

Exploitatievergunning openbare inrichtingen

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een openbare inrichting te exploiteren, behoudens het bepaalde in artikel 2:28b.

  2. De burgemeester kan, in het kader van de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat een openbare inrichting of een categorie openbare inrichtingen aanwijzen zoals bedoeld in artikel 2:27 eerste lid sub b.

  3. Het bepaalde in de artikelen 2:28a, 2:28d, 2:28e, 2:28f, en 2:29 is van overeenkomstige toepassing op de door de burgemeester aangewezen (categorieën) openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 eerste lid sub b.

  4. De burgemeester kan bij een vergunningaanvraag betreffende de vestiging van een tijdelijke openbare inrichting in het belang van de openbare orde en de woon- en leefsituatie een beperkte geldigheidsduur van de exploitatievergunning vaststellen.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:28a

Weigeringsgronden exploitatievergunning

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning, als:

    1. de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. Hierbij wordt een bij de openbare inrichting behorend terras buiten beschouwing gelaten;

    2. de exploitant(-en) of leidinggevende(n) niet voldoen aan de eisen die bij en krachtens artikel 8, eerste en tweede lid, van de Alcoholwet worden gesteld, met dien verstande dat de minimale leeftijd van 18 jaar is bereikt, tenzij het exploitanten en leidinggevenden ten behoeve van een coffeeshop betreffen die in dat geval de minimale leeftijd van 21 jaar moeten hebben bereikt.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij toepassing van deze weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van de openbare inrichting;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting;

    4. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant(en) en leidinggevende(n) van de openbare inrichting in deze openbare inrichting of in andere openbare inrichtingen.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en lid 2 van dit artikel, kan de burgemeester als de vergunningaanvraag (tevens) een terras betreft, de hiertoe benodigde ingebruikneming van de openbare plaats weigeren:

    1. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.

    3. wanneer er al een exploitatievergunning is verleend voor een terras op de aangevraagde locatie.

Artikel 2:28b

Vrijstelling vergunningplicht

  1. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waarin een of meer van de volgende categorieën openbare inrichtingen wordt vrijgesteld van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2:28:

    1. horecabedrijven behorende bij logiesverstrekkers, kantoren (bedrijfskantines), scholen, musea, religieuze instellingen, verzorgings- en verpleegtehuizen, ziekenhuizen, rouwcentra en crematoria, voor zover:

      • deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering;

      • deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken; en

      • geen terras wordt geëxploiteerd.

    2. horecabedrijven behorende bij niet commerciële verenigingen en stichtingen voor sport en recreatie, voor zover:

      • deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de doelstellingen van de betreffende vereniging of stichting;

      • deze zijn gericht op leden, medebeoefenaars van de betreffende discipline en toeschouwers van wedstrijden en overige verenigingsactiviteiten; en

      • een eventueel terras is gelegen aan of nabij het (kantine-)gebouw en binnen het complex waarop de betreffende statutaire doelstelling wordt uitgeoefend, niet zijnde de openbare weg.

    3. horecabedrijven behorende bij commerciële sport- en recreatieclubs, voor zover:

      • deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering;

      • deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken;

      • geen sterke drank wordt geschonken; en

      • geen terras wordt geëxploiteerd.

    4. horecabedrijven behorende bij winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet, voor zover:

      • het verkopen van etenswaren of drinkwaren mede tot de hoofdactiviteiten van de bedrijfsvoering behoort;

      • de horeca-activiteiten naar hun aard en omvang ondergeschikt zijn aan en overeenkomen met de in de onder a genoemde activiteiten;

      • de openingstijden van het horecabedrijf of de horeca-activiteiten gelijk zijn aan de openingstijden van de winkel;

      • er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet worden verstrekt; en

      • een eventueel terras:

        1. is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand;

        2. bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen met een diepte van maximaal 1m vanaf de gevel; en

        3. het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria.

    5. overige horecabedrijven, niet zijnde coffeeshops, voor zover :

      • zij gesloten zijn voor bezoekers tussen 22:00 uur en 07:00 uur noch gedurende deze periode bezoekers in het horecabedrijf laten verblijven;

      • er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet wordt verstrekt; en

      • een terras:

        1. is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand;

        2. bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen met een diepte van maximaal 1m vanaf de gevel; en

        3. het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria.

  2. De exploitant van een horecabedrijf, bedoeld in het eerste lid onder d en e, meldt uiterlijk 14 dagen voor aanvang van exploitatie, bij de burgemeester het voornemen een horecabedrijf te exploiteren.

  3. Het is verboden om zonder of in afwijking van een melding zoals bedoeld in het tweede lid een horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid onder d en e te exploiteren.

  4. De burgemeester kan een horecabedrijf aanwijzen waar de vrijstelling bedoeld in artikel 2:28b eerste lid niet geldt.

  5. Artikel 2:28a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de in dit artikel bedoelde horecabedrijven.

  6. Het in het eerste lid onder e gestelde, is niet van toepassing op horecabedrijven waarvan de aanvraag om een exploitatievergunning is geweigerd wegens het niet voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in artikel 2:28a.

Artikel 2:28c

Vergunning aanvraag en verlening

  1. Per openbare inrichting wordt maximaal één aanvraag om een exploitatievergunning tegelijk in behandeling genomen. Nieuwe aanvragen worden na afronding van de lopende procedure in behandeling genomen.

  2. De in het eerste lid genoemde procedure omvat ook de aanvraag om een vergunning zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Alcoholwet en een vergunning zoals bedoeld in artikel 2:40a van deze verordening.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 wordt een vergunning voor een openbare inrichting alleen verleend aan de exploitant van de inrichting.

  4. Een afschrift van de exploitatievergunning is in de openbare inrichting aanwezig.

Artikel 2:28d

Wijzigingen activiteiten en exploitatie

De burgemeester kan de exploitatievergunning wijzigen of intrekken als:

  1. een exploitant, zoals vermeld op de exploitatievergunning, niet meer als zodanig functioneert;

  2. een leidinggevende, zoals vermeld op de exploitatievergunning, niet meer als zodanig functioneert of niet meer voldoet aan artikel 2:28a, eerste lid, onder b;

  3. de ondernemingsvorm wijzigt;

  4. er sprake is van een gewijzigde exploitatiewijze;

  5. binnen zes maanden na de datum van het verlenen van een exploitatievergunning niet is gestart met de vergunde exploitatie van de openbare inrichting;

  6. de exploitatie van de openbare inrichting voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken.

Artikel 2:28e

Schorsen, intrekking, wijziging en vervallen van een exploitatievergunning

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning schorsen, intrekken of geheel of gedeeltelijk wijzigen:

    1. als een exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting de artikelen 2:29, 2:31, 2:31a, 2:32 of 2:34, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning overtreedt;

    2. als aannemelijk is, dat een exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    3. als een exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting toestaat dan wel gedoogt, dat de openbare inrichting strafbare of beboetbare feiten worden gepleegd;

    4. als een exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie;

    5. als zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken als de burgemeester in een periode van twee jaar ten minste drie maal een aanvraag om bijschrijving van een leidinggevende op de vergunning heeft geweigerd op grond van artikel 2:28a, eerste lid, onder b.

  3. De burgemeester trekt de vergunning in als er niet of niet langer wordt voldaan aan de ingevolge artikel 2:28a, lid 1b gestelde eisen.

  4. Een vergunning vervalt, wanneer:

    1. sinds haar verlening, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    2. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

    3. geen van de exploitanten op de vergunning meer als zodanig functioneert.

Artikel 2:28f

Sluiting van horecabedrijven

  1. De burgemeester kan een horecabedrijf, al dan niet voor een bepaalde duur, gesloten verklaren of de openingstijden beperken:

    1. als dit een vergunningsplichtig bedrijf betreft en wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;

    2. als dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften, dan wel de bepalingen in deze afdeling;

    3. als de burgemeester oordeelt, dat een of meer van de in artikel 1:6 of artikel 2:28e van de APV genoemde situaties waarin intrekking van een exploitatievergunning mogelijk is, zich voordoet.

  2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt, zodra een aankondiging van het besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is aangebracht.

  3. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:28g

Wijziging openbare inrichting

Als een openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand nadat de wijziging is ingegaan, bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, als er nog aan de ten aanzien van de openbare inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning.

Artikel 2:29

Openings- en sluitingstijden

  1. Openbare inrichtingen, niet zijnde coffeeshops, zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 01:00 uur en 07:00 uur.

  2. In afwijking van het eerste lid zijn openbare inrichtingen (niet zijnde een coffeeshop, een restaurant of een paracommercieel rechtspersoon) op vrijdag en zaterdag:

    1. in het Centrum en het Stationsgebied gesloten tussen 04:00 uur en 07:00 uur.

    2. buiten het Centrum en het Stationsgebied gesloten tussen 02:00 uur en 07:00 uur.

  3. Coffeeshops zijn gesloten van maandag tot en met zondag tussen 22:00 en 10:00 uur.

  4. Terrassen behorende bij horecabedrijven zijn gesloten:

    1. in het Centrum en het Stationsgebied tussen 01:00 uur en 07:00 uur;

    2. buiten het Centrum en het Stationsgebied tussen 22:00 uur en 07:00 uur.

  5. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste, tweede en vierde lid genoemde openings- en sluitingstijden en daarbij voorwaarden stellen aan:

    1. de gebieden waarvoor de ontheffing geldt;

    2. de periode; of

    3. de categorieën openbare inrichtingen waarvoor de ontheffing geldt.

  7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan de burgemeester de ontheffing, bedoeld in het zesde lid, weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, als zich een situatie voordoet als bedoeld in 2:28a, eerste en tweede lid.

  8. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30

Afwijking openings- en sluitingstijden

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, volksgezondheid of de woon- en leefsituatie, of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen al dan niet tijdelijk andere openings- of sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

  1. Het is verboden in en om een openbare inrichting de orde te verstoren.

  2. Het is verboden zich als bezoeker in een openbare inrichting te bevinden op tijden waarop de openbare inrichting voor het publiek gesloten moet zijn.

  3. Het is verboden een vergunningplichtige openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben dan wel bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven zonder dat een exploitant of een leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is.

  4. Het is verboden dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten de grenzen van een terras waarvan exploitatie is toegestaan dan wel vergund.

  5. Het is verboden om op een terras dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras toegestane dan wel vergunde sta- of zitplaatsen.

  6. Het is een exploitant of leidinggevende van een openbare inrichting verboden na het van kracht worden van een sluiting als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:28f, bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

  7. Het is verboden om als bezoeker in een bij besluit van de burgemeester gesloten openbare inrichting te verblijven.

Artikel 2:31a

Exploitatieregels openbare inrichtingen, verplichtingen exploitant

  1. Exploitanten en leidinggevenden zijn verantwoordelijk voor een deugdelijke exploitatie van de openbare inrichting.

  2. De exploitatie van de openbare inrichting en het gedrag van de bezoekers van de inrichting mogen de openbare orde, veiligheid en de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare wijze negatief beïnvloeden.

  3. Exploitanten en leidinggevenden geven onverwijld gehoor aan de aanwijzingen van een toezichthouder die krachtens zijn functie van zijn bevoegdheden gebruik maakt.

  4. Exploitanten en leidinggevenden zijn verplicht om dagelijks na sluiting van de openbare inrichting, in de nabijheid van de inrichting en het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van de inrichting en terras afkomstig, te (laten) verwijderen.

  5. Exploitanten en leidinggevenden zijn verplicht om dagelijks na sluiting van het terras, de terraslocatie zodanig op te (laten) ruimen dat de openbare plaats zo min mogelijk belast wordt.

  6. Exploitanten en leidinggevenden dienen alle terrasmeubilair meteen van de terraslocatie te (kunnen) verwijderen als dat voor het uitvoeren van openbare werken of om enige andere reden noodzakelijk is.

  7. Als een terras langer dan één maand niet gebruikt wordt of zal worden, dienen exploitanten en leidinggevenden het terrasmeubilair van de openbare plaats te verwijderen.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

Het is de exploitant(en) en leidinggevende(n) van een openbare inrichting verboden toe te staan dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in het openbare inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34

Beperking verstrekking sterke drank

  1. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een openbare inrichting:

    1. die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor de verkoop van kleinere etenswaren, zoals belegde broodjes en snacks;

    2. die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor het geven van onderwijs;

    3. die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of jeugdinstellingen;

    4. die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of sportinstellingen;

    5. die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoersbedrijf.

    6. als bedoeld in artikel 2:28b, eerste lid onder d en e.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2025 (BPR2500211/25BW000130)