1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A, B of C-evenement te organiseren.

  2. Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

    1. naar zijn oordeel noch door het stellen van voorschriften, noch door de zijdens de organisator voorgestelde maatregelen, onevenredige schade aan de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu kan worden voorkomen.

    2. de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit zijn inziens een onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet.

    3. het B- of C-evenement niet vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement plaatsvindt, is aangemeld voor de regionale evenementenkalender.

  3. Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren als:

    1. de volledige aanvraag om de vergunning , als het een A-evenement betreft, korter dan vier weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd;

    2. de volledige aanvraag om de vergunning , als het een B-evenement betreft, korter dan acht weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd;

    3. de volledige aanvraag om de vergunning , als het een C-evenement betreft, korter dan twaalf weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd.

    4. het B- of C-evenement niet voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement plaatsvindt, is aangemeld.

  4. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.