1. De burgemeester kan degene die zich op of aan de weg ophoudt waarbij aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, te verkopen of te koop aan te bieden en die antecedenten heeft op het gebied van het verkopen of te koop aanbieden van drugs of daarop gelijkende waar, een verbod opleggen om in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn gedurende drie maanden.

  2. De burgemeester kan aan degene, aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en die binnen een periode van een jaar opnieuw de in dat lid genoemde bepalingen overtreedt, een verbod opleggen om in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn gedurende zes maanden.

  3. Degene die een verbod heeft gekregen als bedoeld in het eerste of tweede lid is verplicht zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen.