In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. behendigheidsautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, onder b van de Wet;

  2. besluit: het Speelautomatenbesluit 2000;

  3. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  4. gamecenter: een inrichting bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van behendigheids- of kermisautomaten te laten beoefenen en waar geen kansspelautomaten aanwezig zijn;

  5. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet;

  6. kansspelautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;

  7. kermisautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30a, tweede lid van de Wet;

  8. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet;

  9. leidinggevende:

    • de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin de speelautomatenhal wordt geëxploiteerd; of

    • de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de speelautomatenhal.

  10. speelautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet;

  11. speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten te laten beoefenen, zoals bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b van de Wet, al dan niet ondersteund met behendigheids- of kermisautomaten;

  12. Wet: de Wet op de kansspelen;