De burgemeester kan de exploitatievergunning wijzigen of intrekken als:

  1. een exploitant, zoals vermeld op de exploitatievergunning, niet meer als zodanig functioneert;

  2. een leidinggevende, zoals vermeld op de exploitatievergunning, niet meer als zodanig functioneert of niet meer voldoet aan artikel 2:28a, eerste lid, onder b;

  3. de ondernemingsvorm wijzigt;

  4. er sprake is van een gewijzigde exploitatiewijze;

  5. binnen zes maanden na de datum van het verlenen van een exploitatievergunning niet is gestart met de vergunde exploitatie van de openbare inrichting;

  6. de exploitatie van de openbare inrichting voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken.