Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2025 (BPR2500211/25BW000130) BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging en anderen
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen en dergelijke op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op Speelautomaten, Speelautomatenhallen en Gamecentra
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Afdeling Tegengaan uitbuiting en onevenredige benadeling huurders
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling Overlastgevende personen en woonoverlast
Hoofdstuk Regulering prostitutie en seksbranche
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs,- en slotbepalingen

Artikel 1:1

Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  1. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;

  2. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.

  3. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

  4. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  5. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam;

  6. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  7. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  8. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

  9. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  10. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  11. vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten;

  12. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

  13. woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.

Artikel 1:2

Beslistermijn

  1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1:4

Voorschriften en beperkingen

  1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5

Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

  1. Elke vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6

Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

  1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

    1. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    2. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

    3. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    4. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

    5. de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; of

    6. de houder dit verzoekt.

  2. De duur van de vergunning of ontheffing kan worden gewijzigd naar bepaalde tijd als de vergunning of ontheffing is verleend voor onbepaalde tijd, het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:7

Termijnen

  1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8

Weigeringsgronden

  1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    1. de openbare orde;

    2. de openbare veiligheid;

    3. de volksgezondheid;

    4. de bescherming van het milieu.

  2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats zich tezamen met anderen te begeven naar of al dan niet tezamen met anderen deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  2. Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of degene een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaats die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen en anderen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging ervan en tenminste 72 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt;

    2. het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing;

    3. de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    6. maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld;

  4. Als het uiterste tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2.6

Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

  2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:7

Feest, muziek en wedstrijd en dergelijke

[vervallen]

Artikel 2:9

Straatartiest en straatmuzikant

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest of straatmuzikant op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.

  2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan de weg

  1. Het is verboden de weg, een weggedeelte of een andere openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:

    1. schade toebrengt aan de weg, het weggedeelte of de openbare plaats;

    2. de bruikbaarheid van de weg, het weggedeelte of de openbare plaats belemmert;

    3. een belemmering vormt voor het beheer en onderhoud van de weg, het weggedeelte of de openbare plaats;

    4. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.

  3. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:25;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    3. overige gevallen waarbij krachtens een wettelijke regeling reeds een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

  5. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Het verbod is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

  3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht, het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Schiedam 2017.

Artikel 2:12

Maken, veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

    1. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

    2. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    3. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    4. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2:14

Winkelwagentjes

  1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze:

    1. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en

    2. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16

Openen straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:21a

Verwijdering en dergelijke van voorzieningen voor verkeer- en verlichting

  1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 2:22

Objecten onder hoogspanningslijn

  1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2:22a

Valschermspringen

  1. Het is verboden zonder toestemming van het college uit een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig te springen met een valscherm.

  2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Luchtverkeer, het Luchtverkeersreglement en de regeling valschermspringen.

Artikel 2:23

Veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden:

    1. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    2. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:23a

Verboden slaapverblijf

Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

Artikel 2:24

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Binnenstad: het gebied omsloten door de Broersvest, de Koemarkt, water van de Buitenhaven, water van de Nieuwe Haven, water van de Noordvestgracht, het water van de Schie, het Overschieseplein, de Emmastraat, de Singel en het Emmaplein.

  2. Evenement: een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, waarbij evenementen worden onderverdeeld in:

    1. A-evenement, laag risico-evenement, met een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;

    2. B-evenement, gemiddeld risico-evenement, met een verhoogde impact op de omgeving of gevolgen voor het verkeer;

    3. C-evenement, hoog risico-evenement, met een grote impact op de omgeving/regio of het verkeer;

    4. meldingsplichtig evenement: een evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd, maar wel een meldingsplicht geldt.

  3. Onder evenement wordt niet verstaan:

    1. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9;

    2. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    3. bioscoopvoorstellingen;

    4. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en activiteiten als bedoeld in afdeling 10 van deze verordening;

    5. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22;

    6. het organiseren van een verrichting van vermaak in een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27, dat beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28, dan wel in een van vergunningplicht vrijgesteld horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:28b, mits deze verrichting van vermaak behoort tot de bij deze vergunning toegestane vorm van exploitatie respectievelijk de gebruikelijke exploitatiewijze.

  4. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een braderie of een markt, niet zijnde een markt als bedoeld in het tweede lid onder b of in artikel 5:22 van de APV;

    2. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg.

    3. een herdenkingsplechtigheid;

    4. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;

  5. Organisator: de natuurlijke- of rechtspersoon die een evenement organiseert of als eerste verantwoordelijke aan de evenementorganisatie leiding geeft.

Artikel 2:25

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A, B of C-evenement te organiseren.

  2. Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

    1. naar zijn oordeel noch door het stellen van voorschriften, noch door de zijdens de organisator voorgestelde maatregelen, onevenredige schade aan de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu kan worden voorkomen.

    2. de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit zijn inziens een onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet.

    3. het B- of C-evenement niet vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement plaatsvindt, is aangemeld voor de regionale evenementenkalender.

  3. Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren als:

    1. de volledige aanvraag om de vergunning , als het een A-evenement betreft, korter dan vier weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd;

    2. de volledige aanvraag om de vergunning , als het een B-evenement betreft, korter dan acht weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd;

    3. de volledige aanvraag om de vergunning , als het een C-evenement betreft, korter dan twaalf weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd.

    4. het B- of C-evenement niet voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement plaatsvindt, is aangemeld.

  4. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:25a

Meldingsplichtig evenement

  1. Geen vergunning is vereist voor evenementen, als:

    1. er niet meer dan 300 personen (medewerkers, deelnemers en bezoekers) tegelijkertijd aanwezig zijn;

    2. die plaatsvinden tussen 08.00 uur en 24.00 uur of op zondag, indien het een evenement op een openbare plaats betreft, tussen 13.00 uur en 24.00 uur;

    3. eventueel (muziek)geluid op een openbare plaats, zondag tot en met donderdag niet later dan 22:00 uur en vrijdag en zaterdag niet tot later dan 23:00 uur ten gehore wordt gebracht;

    4. die niet langer dan zeven aaneengesloten dagen duren;

    5. die niet plaatsvinden op een rijbaan, (brom)fietspad of op een andere manier een belemmering vormen voor het verkeer, de hulpdiensten of lijndiensten van het openbaar vervoer;

    6. slechts kleine objecten, met een totale oppervlakte van 25m2 worden geplaatst. Podiumblokken mogen niet hoger zijn dan 1 meter.

    7. met de onder c bedoelde (muziek)geluid wordt in ieder geval bedoeld: akoestisch, onversterkt (muziek)geluid waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geen geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. De vrijstelling van de vergunningsplicht als bedoeld in lid 1 geldt niet voor:

    1. braderieën en markten als bedoeld in artikel 2:24 lid 3 onder b;

    2. optochten in de Binnenstad;

    3. evenementen die plaatsvinden op Koningsdag, tijdens de Brandersfeesten of andere C-evenementen en op 31 december, tenzij deze evenementen niet in de directe omgeving van voornoemde evenementen plaatsvinden;

    4. evenementen die plaatsvinden op 4 mei na 18.00 uur, behalve herdenkingen in het kader van de nationale dodenherdenking; en

    5. evenementen die plaatsvinden op de locatie Grote Markt, met uitzondering van kleinschalige activiteiten bij trouwerijen.

  3. Het is verboden om een meldingsplichtig evenement te organiseren als niet minimaal 14 dagen voorafgaand aan het evenement een schriftelijke melding is gedaan aan de burgemeester.

  4. De burgemeester kan het organiseren van een meldingsplichtig evenement als bedoeld in het eerste lid verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

Artikel 2:25b

Nadere regels, organiseren van een evenement

Het college kan in het belang van de veiligheid, volksgezondheid en het milieu, nadere regels vaststellen met betrekking tot het organiseren en het veilige verloop van een evenement.

Artikel 2:26

Verboden gedragingen bij evenementen

  1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

  2. Het is verboden om bij evenement, al dan niet op het evenemententerrein, op of aan de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren.

  3. Het is verboden deel te nemen aan een evenement of voor bezoekers om bij een evenement aanwezig te zijn of te blijven:

    1. waarvoor geen vergunning is verleend;

    2. als het een evenement betreft als bedoeld in artikel 2:25a, dat niet of niet tijdig is gemeld of dat door de burgemeester is verboden op grond van artikel 2:25a, derde lid;

    3. als er wordt afgeweken van de in de aanvraag of bij de melding verstrekte gegevens, dan wel van de naderhand aan de burgemeester verstrekte nadere gegevens;

    4. als er wordt gehandeld in strijd met door de burgemeester aan de vergunning verbonden voorschriften, dan wel nadere regels als bedoeld in artikel 2:25b;

    5. als er door de burgemeester een bevel is gegeven tot onverwijlde beëindiging van het evenement.

  4. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.

  5. Het verbod in het vierde lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:26a

Verbod gebruik wegwerpplastic

Het is voor organisatoren van evenementen verboden om tijdens evenementen gebruik te maken van wegwerpplastic.

Artikel 2:27

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Bezoeker: een ieder, die zich in een horecabedrijf bevindt, met uitzondering van:

    1. de exploitant(en) en de levenspartner en kinderen van de exploitant(en) van het horecabedrijf;

    2. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het wetboek van strafrecht;

    3. de personen wier tegenwoordigheid in het horecabedrijf wegens dringende omstandigheden vereist wordt;

    4. leidinggevenden/werknemers/personen in loondienst van het horecabedrijf of een schoonmaakbedrijf, in verband met (schoonmaak)werkzaamheden.

  2. Centrum: het gebied dat op de in bijlage 1 opgenomen kaart is aangegeven.

  3. Coffeeshop: een openbare inrichting primair gericht op verstrekking van cannabisproducten;

  4. Exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  5. Exploitatievergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid;

  6. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  7. Leidinggevende:

    1. de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin het horecabedrijf wordt geëxploiteerd;

    2. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van het horecabedrijf.

  8. Openbare inrichting:

    1. horecabedrijven, inhoudende de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder horecabedrijf wordt mede verstaan een bij het horecabedrijf behorend terras en andere aanhorigheden;

    2. voor publiek openstaande lokaliteiten, die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, voor zover daar regelmatig of op gezette tijden:

      • amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van een speelautomatenhal of een gamecenter.

  9. Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet.

  10. Restaurant: een openbare inrichting primair gericht op verstrekking van driecomponentenmaaltijden.

  11. Terras: een buiten de besloten ruimte liggend gedeelte van een horecabedrijf, waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden om tegen vergoeding dranken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse te nuttigen.

  12. Terrasmeubilair: alle attributen die in de openbare ruimte worden geplaatst ten behoeve van de exploitatie van het terras, waaronder in ieder geval: stoelen, krukken, banken, tafels, statafels, tonnen, parasols, terrasafscherming zoals schermen, hekwerk en plantenbakken, staande asbakken, menuborden, uitklapborden, overig reclame- en displaymateriaal, vrijstaande terrasverwarming

  13. Stationsgebied: het gebied dat op de in bijlage 2 opgenomen kaart is aangegeven.

Artikel 2:28

Exploitatievergunning openbare inrichtingen

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een openbare inrichting te exploiteren, behoudens het bepaalde in artikel 2:28b.

  2. De burgemeester kan, in het kader van de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat een openbare inrichting of een categorie openbare inrichtingen aanwijzen zoals bedoeld in artikel 2:27 eerste lid sub b.

  3. Het bepaalde in de artikelen 2:28a, 2:28d, 2:28e, 2:28f, en 2:29 is van overeenkomstige toepassing op de door de burgemeester aangewezen (categorieën) openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 eerste lid sub b.

  4. De burgemeester kan bij een vergunningaanvraag betreffende de vestiging van een tijdelijke openbare inrichting in het belang van de openbare orde en de woon- en leefsituatie een beperkte geldigheidsduur van de exploitatievergunning vaststellen.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:28a

Weigeringsgronden exploitatievergunning

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning, als:

    1. de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. Hierbij wordt een bij de openbare inrichting behorend terras buiten beschouwing gelaten;

    2. de exploitant(-en) of leidinggevende(n) niet voldoen aan de eisen die bij en krachtens artikel 8, eerste en tweede lid, van de Alcoholwet worden gesteld, met dien verstande dat de minimale leeftijd van 18 jaar is bereikt, tenzij het exploitanten en leidinggevenden ten behoeve van een coffeeshop betreffen die in dat geval de minimale leeftijd van 21 jaar moeten hebben bereikt.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij toepassing van deze weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van de openbare inrichting;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting;

    4. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant(en) en leidinggevende(n) van de openbare inrichting in deze openbare inrichting of in andere openbare inrichtingen.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en lid 2 van dit artikel, kan de burgemeester als de vergunningaanvraag (tevens) een terras betreft, de hiertoe benodigde ingebruikneming van de openbare plaats weigeren:

    1. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.

    3. wanneer er al een exploitatievergunning is verleend voor een terras op de aangevraagde locatie.

Artikel 2:28b

Vrijstelling vergunningplicht

  1. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waarin een of meer van de volgende categorieën openbare inrichtingen wordt vrijgesteld van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2:28:

    1. horecabedrijven behorende bij logiesverstrekkers, kantoren (bedrijfskantines), scholen, musea, religieuze instellingen, verzorgings- en verpleegtehuizen, ziekenhuizen, rouwcentra en crematoria, voor zover:

      • deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering;

      • deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken; en

      • geen terras wordt geëxploiteerd.

    2. horecabedrijven behorende bij niet commerciële verenigingen en stichtingen voor sport en recreatie, voor zover:

      • deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de doelstellingen van de betreffende vereniging of stichting;

      • deze zijn gericht op leden, medebeoefenaars van de betreffende discipline en toeschouwers van wedstrijden en overige verenigingsactiviteiten; en

      • een eventueel terras is gelegen aan of nabij het (kantine-)gebouw en binnen het complex waarop de betreffende statutaire doelstelling wordt uitgeoefend, niet zijnde de openbare weg.

    3. horecabedrijven behorende bij commerciële sport- en recreatieclubs, voor zover:

      • deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering;

      • deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken;

      • geen sterke drank wordt geschonken; en

      • geen terras wordt geëxploiteerd.

    4. horecabedrijven behorende bij winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet, voor zover:

      • het verkopen van etenswaren of drinkwaren mede tot de hoofdactiviteiten van de bedrijfsvoering behoort;

      • de horeca-activiteiten naar hun aard en omvang ondergeschikt zijn aan en overeenkomen met de in de onder a genoemde activiteiten;

      • de openingstijden van het horecabedrijf of de horeca-activiteiten gelijk zijn aan de openingstijden van de winkel;

      • er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet worden verstrekt; en

      • een eventueel terras:

        1. is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand;

        2. bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen met een diepte van maximaal 1m vanaf de gevel; en

        3. het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria.

    5. overige horecabedrijven, niet zijnde coffeeshops, voor zover :

      • zij gesloten zijn voor bezoekers tussen 22:00 uur en 07:00 uur noch gedurende deze periode bezoekers in het horecabedrijf laten verblijven;

      • er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet wordt verstrekt; en

      • een terras:

        1. is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand;

        2. bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen met een diepte van maximaal 1m vanaf de gevel; en

        3. het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria.

  2. De exploitant van een horecabedrijf, bedoeld in het eerste lid onder d en e, meldt uiterlijk 14 dagen voor aanvang van exploitatie, bij de burgemeester het voornemen een horecabedrijf te exploiteren.

  3. Het is verboden om zonder of in afwijking van een melding zoals bedoeld in het tweede lid een horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid onder d en e te exploiteren.

  4. De burgemeester kan een horecabedrijf aanwijzen waar de vrijstelling bedoeld in artikel 2:28b eerste lid niet geldt.

  5. Artikel 2:28a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de in dit artikel bedoelde horecabedrijven.

  6. Het in het eerste lid onder e gestelde, is niet van toepassing op horecabedrijven waarvan de aanvraag om een exploitatievergunning is geweigerd wegens het niet voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in artikel 2:28a.

Artikel 2:28c

Vergunning aanvraag en verlening

  1. Per openbare inrichting wordt maximaal één aanvraag om een exploitatievergunning tegelijk in behandeling genomen. Nieuwe aanvragen worden na afronding van de lopende procedure in behandeling genomen.

  2. De in het eerste lid genoemde procedure omvat ook de aanvraag om een vergunning zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Alcoholwet en een vergunning zoals bedoeld in artikel 2:40a van deze verordening.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 wordt een vergunning voor een openbare inrichting alleen verleend aan de exploitant van de inrichting.

  4. Een afschrift van de exploitatievergunning is in de openbare inrichting aanwezig.

Artikel 2:28d

Wijzigingen activiteiten en exploitatie

De burgemeester kan de exploitatievergunning wijzigen of intrekken als:

  1. een exploitant, zoals vermeld op de exploitatievergunning, niet meer als zodanig functioneert;

  2. een leidinggevende, zoals vermeld op de exploitatievergunning, niet meer als zodanig functioneert of niet meer voldoet aan artikel 2:28a, eerste lid, onder b;

  3. de ondernemingsvorm wijzigt;

  4. er sprake is van een gewijzigde exploitatiewijze;

  5. binnen zes maanden na de datum van het verlenen van een exploitatievergunning niet is gestart met de vergunde exploitatie van de openbare inrichting;

  6. de exploitatie van de openbare inrichting voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken.

Artikel 2:28e

Schorsen, intrekking, wijziging en vervallen van een exploitatievergunning

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning schorsen, intrekken of geheel of gedeeltelijk wijzigen:

    1. als een exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting de artikelen 2:29, 2:31, 2:31a, 2:32 of 2:34, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning overtreedt;

    2. als aannemelijk is, dat een exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    3. als een exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting toestaat dan wel gedoogt, dat de openbare inrichting strafbare of beboetbare feiten worden gepleegd;

    4. als een exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie;

    5. als zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken als de burgemeester in een periode van twee jaar ten minste drie maal een aanvraag om bijschrijving van een leidinggevende op de vergunning heeft geweigerd op grond van artikel 2:28a, eerste lid, onder b.

  3. De burgemeester trekt de vergunning in als er niet of niet langer wordt voldaan aan de ingevolge artikel 2:28a, lid 1b gestelde eisen.

  4. Een vergunning vervalt, wanneer:

    1. sinds haar verlening, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    2. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

    3. geen van de exploitanten op de vergunning meer als zodanig functioneert.

Artikel 2:28f

Sluiting van horecabedrijven

  1. De burgemeester kan een horecabedrijf, al dan niet voor een bepaalde duur, gesloten verklaren of de openingstijden beperken:

    1. als dit een vergunningsplichtig bedrijf betreft en wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;

    2. als dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften, dan wel de bepalingen in deze afdeling;

    3. als de burgemeester oordeelt, dat een of meer van de in artikel 1:6 of artikel 2:28e van de APV genoemde situaties waarin intrekking van een exploitatievergunning mogelijk is, zich voordoet.

  2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt, zodra een aankondiging van het besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is aangebracht.

  3. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:28g

Wijziging openbare inrichting

Als een openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand nadat de wijziging is ingegaan, bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, als er nog aan de ten aanzien van de openbare inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning.

Artikel 2:29

Openings- en sluitingstijden

  1. Openbare inrichtingen, niet zijnde coffeeshops, zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 01:00 uur en 07:00 uur.

  2. In afwijking van het eerste lid zijn openbare inrichtingen (niet zijnde een coffeeshop, een restaurant of een paracommercieel rechtspersoon) op vrijdag en zaterdag:

    1. in het Centrum en het Stationsgebied gesloten tussen 04:00 uur en 07:00 uur.

    2. buiten het Centrum en het Stationsgebied gesloten tussen 02:00 uur en 07:00 uur.

  3. Coffeeshops zijn gesloten van maandag tot en met zondag tussen 22:00 en 10:00 uur.

  4. Terrassen behorende bij horecabedrijven zijn gesloten:

    1. in het Centrum en het Stationsgebied tussen 01:00 uur en 07:00 uur;

    2. buiten het Centrum en het Stationsgebied tussen 22:00 uur en 07:00 uur.

  5. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste, tweede en vierde lid genoemde openings- en sluitingstijden en daarbij voorwaarden stellen aan:

    1. de gebieden waarvoor de ontheffing geldt;

    2. de periode; of

    3. de categorieën openbare inrichtingen waarvoor de ontheffing geldt.

  7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan de burgemeester de ontheffing, bedoeld in het zesde lid, weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, als zich een situatie voordoet als bedoeld in 2:28a, eerste en tweede lid.

  8. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30

Afwijking openings- en sluitingstijden

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, volksgezondheid of de woon- en leefsituatie, of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen al dan niet tijdelijk andere openings- of sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

  1. Het is verboden in en om een openbare inrichting de orde te verstoren.

  2. Het is verboden zich als bezoeker in een openbare inrichting te bevinden op tijden waarop de openbare inrichting voor het publiek gesloten moet zijn.

  3. Het is verboden een vergunningplichtige openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben dan wel bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven zonder dat een exploitant of een leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is.

  4. Het is verboden dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten de grenzen van een terras waarvan exploitatie is toegestaan dan wel vergund.

  5. Het is verboden om op een terras dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras toegestane dan wel vergunde sta- of zitplaatsen.

  6. Het is een exploitant of leidinggevende van een openbare inrichting verboden na het van kracht worden van een sluiting als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:28f, bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

  7. Het is verboden om als bezoeker in een bij besluit van de burgemeester gesloten openbare inrichting te verblijven.

Artikel 2:31a

Exploitatieregels openbare inrichtingen, verplichtingen exploitant

  1. Exploitanten en leidinggevenden zijn verantwoordelijk voor een deugdelijke exploitatie van de openbare inrichting.

  2. De exploitatie van de openbare inrichting en het gedrag van de bezoekers van de inrichting mogen de openbare orde, veiligheid en de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare wijze negatief beïnvloeden.

  3. Exploitanten en leidinggevenden geven onverwijld gehoor aan de aanwijzingen van een toezichthouder die krachtens zijn functie van zijn bevoegdheden gebruik maakt.

  4. Exploitanten en leidinggevenden zijn verplicht om dagelijks na sluiting van de openbare inrichting, in de nabijheid van de inrichting en het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van de inrichting en terras afkomstig, te (laten) verwijderen.

  5. Exploitanten en leidinggevenden zijn verplicht om dagelijks na sluiting van het terras, de terraslocatie zodanig op te (laten) ruimen dat de openbare plaats zo min mogelijk belast wordt.

  6. Exploitanten en leidinggevenden dienen alle terrasmeubilair meteen van de terraslocatie te (kunnen) verwijderen als dat voor het uitvoeren van openbare werken of om enige andere reden noodzakelijk is.

  7. Als een terras langer dan één maand niet gebruikt wordt of zal worden, dienen exploitanten en leidinggevenden het terrasmeubilair van de openbare plaats te verwijderen.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

Het is de exploitant(en) en leidinggevende(n) van een openbare inrichting verboden toe te staan dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in het openbare inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34

Beperking verstrekking sterke drank

  1. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een openbare inrichting:

    1. die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor de verkoop van kleinere etenswaren, zoals belegde broodjes en snacks;

    2. die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor het geven van onderwijs;

    3. die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of jeugdinstellingen;

    4. die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of sportinstellingen;

    5. die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoersbedrijf.

    6. als bedoeld in artikel 2:28b, eerste lid onder d en e.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:34a

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. alcoholhoudende drank: drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet;

  2. paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet.

Artikel 2:34b

Regulering paracommerciële rechtspersonen

  1. Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken van maandag tot en met zaterdag vanaf 12.00 uur tot 01.00 uur en op zondag vanaf 11.00 uur tot 01.00 uur.

  2. Per kalenderjaar kan een paracommercieel rechtspersoon alcoholhoudende drank verstrekken tijdens in totaal ten hoogste 12 bijeenkomsten:

    1. die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken; of

    2. die gericht zijn op leden of andere personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon, wanneer deze bijeenkomsten geen verband houden met de doelstellingen van de rechtspersoon.

  3. Het is een paracommercieel rechtspersoon niet toegestaan bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bedoeld in de Alcoholwet, te organiseren.

  4. Dit verbod is niet van toepassing op ontmoetingscentra in de wijken.

  5. Bij fusies van meerdere paracommerciële rechtspersonen kan van het maximum aantal bijeenkomsten genoemd in het tweede lid, worden afgeweken tot 2 jaar na de fusiedatum.

  6. Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk 14 werkdagen voor een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan melding aan de burgemeester.

Artikel 2:34c

Proeverijen in slijtlokaliteiten

  1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.

  2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Artikel 2:35

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  2. inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:38

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:39

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. behendigheidsautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, onder b van de Wet;

  2. besluit: het Speelautomatenbesluit 2000;

  3. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  4. gamecenter: een inrichting bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van behendigheids- of kermisautomaten te laten beoefenen en waar geen kansspelautomaten aanwezig zijn;

  5. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet;

  6. kansspelautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;

  7. kermisautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30a, tweede lid van de Wet;

  8. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet;

  9. leidinggevende:

    • de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin de speelautomatenhal wordt geëxploiteerd; of

    • de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de speelautomatenhal.

  10. speelautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet;

  11. speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten te laten beoefenen, zoals bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b van de Wet, al dan niet ondersteund met behendigheids- of kermisautomaten;

  12. Wet: de Wet op de kansspelen;

Artikel 2:40

Aantal speelautomaten

  1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

  2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

  3. In een speelautomatenhal zijn maximaal 150 speelautomaten toegestaan.

  4. In een gamecenter zijn maximaal 150 behendigheids- of kermisautomaten toegestaan.

Artikel 2:40a

Vergunningplicht speelautomatenhal en gamecenter

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal of gamecenter te exploiteren.

  2. Van de vergunning bedoeld in het eerste lid wordt er ten hoogste één vergunning verleend voor een speelautomatenhal en ten hoogste twee voor gamecentra.

  3. Een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt getoetst aan de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  4. Het college stelt nadere regels vast ten behoeve van het creëren van gelijke kansen om voor een vergunning in aanmerking te komen, waarbij in ieder geval regels worden gesteld betreffende:

    1. de inhoud en wijze van indiening van een aanvraag;

    2. de verdelings- en toekenningsprocedure voor een vergunning.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40b

Weigering vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning:

  1. als het maximaal aantal af te geven vergunningen is verleend;

  2. als de exploitatie strijd oplevert met het omgevingsplan;

  3. als de speelautomatenhal of het gamecenter niet zal worden geëxploiteerd in het door de gemeenteraad, op bijlage 3, aangewezen gebied;

  4. als de speelautomatenhal of het gamecenter niet rechtstreeks vanaf de openbare weg of vanaf een centrale entree voor het publiek toegankelijk is;

  5. als de exploitant of leidinggevende de leeftijd van 21 jaar niet heeft bereikt;

  6. als een exploitant of leidinggevende niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 van het Besluit;

  7. als door de aanwezigheid van de speelautomatenhal of het gamecenter naar het oordeel van de burgemeester de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 2:40c

De vergunning

  1. De vergunning wordt verleend voor de duur van vijftien jaar.

  2. De burgemeester vermeldt in de vergunning in ieder geval:

    1. de naam van de vergunninghouder

    2. de naam van elke exploitant en leidinggevende;

    3. de locatie waar de speelautomatenhal is gevestigd;

    4. het aantal en type vergunde speelautomaten;

    5. een omschrijving van de inrichting met vermelding van de oppervlakte(n).

  3. Aan de vergunning worden in ieder geval voorschriften verbonden met betrekking tot:

    1. de openingstijden;

    2. het toezicht in de speelautomatenhal of het gamecenter en op de directe omgeving van de inrichting;

    3. het voorkomen van overlast en openbare orde verstoring;

    4. de exploitatie van de speelautomatenhal of het gamecenter;

    5. de wijze waarop de exploitant verslaving dient te voorkomen.

  4. Onverminderd het bepaalde in het derde lid wordt aan elke vergunning het voorschrift verbonden dat:

    1. het verboden is de speelautomatenhal of het gamecenter voor publiek geopend te houden als er geen, op de vergunning vermelde, exploitant of leidinggevende in de inrichting aanwezig is;

    2. als een exploitant of leidinggevende zijn hoedanigheid als zodanig verliest, de vergunninghouder dat binnen 7 dagen aan de burgemeester meldt;

  5. De vergunninghouder is verplicht de vergunning of een afschrift daarvan in de speelautomatenhal aanwezig te hebben.

Artikel 2:40d

Leeftijdsgrenzen

  1. Het is verboden in een speelautomatenhal de aanwezigheid toe te laten van een bezoeker als niet is vastgesteld dat deze de leeftijd als bedoeld in artikel 30u, eerste lid onder a van de wet heeft bereikt.

  2. Het is verboden in een gamecenter de aanwezigheid toe te laten van een bezoeker als niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt, tenzij die bezoeker wordt begeleid en onder direct toezicht staat van een persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

  3. De vaststelling van de leeftijd:

    1. geschiedt aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet op de identificatieplicht;

    2. blijft achterwege, als de persoon onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt.

Artikel 2:40e

Schorsing, intrekking en wijziging vergunning

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning schorsen, intrekken of wijzigen als:

    1. de ondernemingsvorm wijzigt;

    2. gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. een exploitant of leidinggevende, vermeld op de vergunning, niet meer als zodanig functioneert;

    4. de exploitant of de leidinggevende niet meer voldoet aan de eisen genoemd in artikel 2:40b, onder f;

    5. aannemelijk is, dat een exploitant of een leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de speelautomatenhal of het gamecenter, die een gevaar opleveren voor de openbare orde, de volksgezondheid of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal of het gamecenter;

    6. een exploitant of leidinggevende strafbare feiten in de speelautomatenhal of het gamecenter pleegt, dan wel toestaat of gedoogt dat in de speelautomatenhal of het gamecenter strafbare feiten worden gepleegd;

    7. een exploitant of leidinggevende zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht, seksuele geaardheid of religie;

    8. zich in de speelautomatenhal of het gamecenter anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de speelautomatenhal of het gamecenter ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

  2. De vergunning vervalt van rechtswege als:

    1. geen van de op de vergunning vermelde exploitanten nog als zodanig functioneert;

    2. binnen zes maanden na verlening van de vergunning niet is gestart met de exploitatie van de speelautomatenhal;

    3. de exploitatie van de speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden onderbroken is geweest.

Artikel 2:40f

Gokken op de openbare weg

Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze om geld of geldwaarde te spelen.

Artikel 2:40g

Sluiting overlastgevende gokpanden

  1. Als de rechthebbende op of de beheerder van een inrichting een perceel of perceelgedeelte of in enige andere ruimte waarover diegene de beschikking heeft, toestaat of gedoogt, dat daarin een kansspel wordt gespeeld waarop artikel 1 van de Wet van toepassing is en waarvoor op grond van die Wet geen vergunning is verleend, kan de burgemeester, als naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of aantasting van het woon- en leefklimaat is vereist, de sluiting van die inrichting, dat perceel of perceelgedeelte of die ruimte bevelen.

  2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang of toegangen van de inrichting, het perceel, het perceelgedeelte of de andere ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van een inrichting, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte als bedoeld in het eerste lid verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten inrichting, perceel of perceelgedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  6. Onder bezoekers wordt voor de toepassing van het vierde en vijfde lid niet verstaan:

    1. de levenspartner en kinderen van de rechthebbende of beheerder, alsmede zijn elders wonende bloed- of aanverwanten of die van zijn levenspartner in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    2. de personen wier tegenwoordigheid in de inrichting, het perceel of perceelsgedeelte of de andere ruimte wegens dringende redenen strikt noodzakelijk is.

  7. De sluiting kan op aanvraag van de belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen, die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden

Artikel 2:40h

Schorsing, intrekking en wijziging van een vergunning

[vervallen]

Artikel 2:40k

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

  2. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  3. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend.

Artikel 2:40l

Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten

  1. Het college kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het eerste lid van artikel 2:40m van toepassing is.

  2. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van het college de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat.

  3. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.

  4. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van het college de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. De gemeenteraad wordt hierover vooraf geconsulteerd.

Artikel 2:40m

Vergunning uitoefening bedrijf

  1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door het college op grond van het eerste lid van artikel 2:40l aangewezen gebouw of gebied voor door het college benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    2. als de uitoefening van het bedrijf een door het college op grond van het eerste lid van artikel 2:40l aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid als de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of andere bij of krachtens de Omgevingswet gestelde regels.

Artikel 2:40n

Vergunningaanvraag

  1. De vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40m wordt aangevraagd door de exploitant.

  2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  3. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    2. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    3. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    4. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    5. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    6. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  4. Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan de burgemeester verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 2:40o

Intrekking en wijziging van een vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40m intrekken of wijzigen als:

  1. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

  2. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

  3. de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd;

  4. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

  5. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

  6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

  7. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

  8. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie;

  9. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

  10. de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of andere bij of krachtens de Omgevingswet gestelde regels.

Artikel 2:40p

Sluiting bedrijf

  1. Als een bedrijf in strijd met het verbod uit het eerste lid van artikel 2:40m wordt geëxploiteerd of als een van de situaties als bedoeld in artikel 2:40o, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

  2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Artikel 2:40q

Geboden en verboden exploitant

  1. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40m, opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden.

  2. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  3. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  4. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

Artikel 2:40r

Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen

In afwijking van het eerste lid van artikel 2:40m geldt het aldaar gestelde verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het in artikel 2:40l genoemde aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

Artikel 2:40s

Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen

Op de vergunning als bedoeld in artikel 2:40m is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40t

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. bemiddelingsbedrijf: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die, al dan niet bedrijfsmatig, tegen vergoeding bemiddelt bij de totstandkoming van een overeenkomsten tot het tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van een woning;

  2. verhuurder: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die, al dan niet bedrijfsmatig, een woning tegen een vergoeding beschikbaar stelt dan wel in gebruik geeft;

  3. woning: woonruimte als bedoeld in artikel 1 onder j van de Huisvestingswet 2014;

  4. woningbemiddeling: het, al dan niet bedrijfsmatig, tegen een vergoeding bemiddelen bij de totstandkoming van een overeenkomsten tot het tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van een woning;

  5. woningverhuur: het, al dan niet bedrijfsmatig tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van ene woning.

Artikel 2:40u

Aanwijzing vergunningplichtige woningverhuur

  1. Het college kan woningverhuur aanwijzen waarop het verbod uit het eerste lid van artikel 2:40w van toepassing is.

  2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt uitsluitend plaats als naar het oordeel van het college:

    1. huurders of gebruikers worden uitgebuit of onevenredig benadeeld;

    2. de leefbaarheid, de volksgezondheid, de openbare orde of de veiligheid onder druk staan;

    3. het welzijn van huurders of gebruikers onder druk staat; of

    4. er zich strafbare feiten voordoen.

  3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan zich beperken tot:

    1. de woningverhuur van één of meer verhuurders;

    2. de verhuur van één of meer woningen binnen een straat, wijk of gebied;

    3. alle woningverhuur binnen een straat, wijk, of gebied;

    4. een bepaalde vorm van woningverhuur al dan niet beperkt tot een straat, wijk, of gebied; of

    5. één of meer onder verantwoording van of in opdracht van een verhuurder of meerdere verhuurders werkende natuurlijke personen of rechtspersonen.

  4. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid welke betrekking heeft op alle woningverhuur binnen een wijk of gebied of op (een) bepaalde vorm(en) van woningverhuur binnen de gehele gemeente geschiedt niet eerder voordat de gemeenteraad hierover vooraf is geïnformeerd.

Artikel 2:40v

Aanwijzing vergunningplichtige woningbemiddeling

  1. Het college kan woningbemiddeling aanwijzen waarop het verbod uit het tweede lid van artikel 2:40w van toepassing is.

  2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt uitsluitend plaats als naar het oordeel van het college:

    1. huurders of gebruikers worden uitgebuit of onevenredig benadeeld;

    2. de leefbaarheid, de volksgezondheid, de openbare orde of de veiligheid onder druk staan;

    3. het welzijn van huurders of gebruikers onder druk staat; of

    4. er zich strafbare feiten voordoen.

  3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan zich beperken tot:

    1. de woningbemiddeling van één of meer bemiddelingsbedrijven;

    2. de woningbemiddeling inzake één of meer woningen binnen een straat, wijk of gebied;

    3. alle woningbemiddeling binnen een straat, wijk of gebied;

    4. een bepaalde vorm van woningbemiddeling al dan niet beperkt tot een straat, wijk, of gebied; of

    5. een of meer onder verantwoording van of in opdracht van een bemiddelingsbedrijf of meerdere bemiddelingsbedrijven werkende natuurlijke personen of rechtspersonen.

  4. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid welke betrekking heeft op alle woningbemiddeling binnen een wijk of gebied of op (een) bepaalde vorm(en) van woningbemiddeling binnen de gehele gemeente geschiedt niet eerder voordat de gemeenteraad hierover vooraf is geïnformeerd.

Artikel 2:40w

Vergunning woningverhuur of woningbemiddeling

  1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een woning te verhuren als deze woningverhuur valt onder de werking van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2:40u, lid 1.

  2. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een woning te bemiddelen als deze woningbemiddeling valt onder de werking van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2:40v, lid 1.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1 :8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste en tweede lid weigeren:

    1. ter voorkoming van uitbuiting, onevenredige benadeling en strafbare feiten;

    2. in het belang van het welzijn van huurders of gebruikers;

    3. in het belang van de leefbaarheid;

    4. als de verhuurder of het bemiddelingsbedrijf dan wel onder verantwoording van of in opdracht van de verhuurder of het bemiddelingsbedrijf werkende natuurlijke of rechtspersonen in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

    5. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    6. als er aanwijzingen zijn dat voor de verhuurder of het bemiddelingsbedrijf personen werkzaam zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als bedoeld in de te vergunning activiteit strijdigheden oplevert met het omgevingsplan of andere bij of krachtens de Omgevingswet gestelde regels.

Artikel 2:40x

Intrekking en wijziging van een vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40w intrekken of wijzigen als naar het oordeel van de burgemeester:

  1. de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; of

  2. er zich een omstandigheid voordoet op grond waarvan de vergunning op grond artikel 1:8 en van het derde en vierde lid van artikel 2:40w zou zijn geweigerd.

Artikel 2:40y

Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen

Op de vergunning als bedoeld in artikel 2:40w is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende redenen noodzakelijk is.

  4. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste en tweede lid bedoeld verbod ontheffing te verlenen.

Artikel 2:41a

Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen

  1. De burgemeester kan, als naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een openbare inrichting of seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de (hoofd)toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  4. Het is verboden een voor het publiek openstaand gebouw als bedoeld in het eerste lid, of het bij dat gebouw behorende erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen, te betreden.

  5. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw als bedoeld in het eerste lid, of het bij dat gebouw behorende erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen, te betreden.

  6. Onder bezoekers worden voor de toepassing van het vierde en vijfde lid niet verstaan de personen wier tegenwoordigheid in het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf wegens dringende omstandigheden vereist wordt.

  7. Een sluiting voor (on)bepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor bet aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap en dergelijke

  1. Het is verboden tussen ’s avonds 10 uur ’s morgens 6 uur op een openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.

  2. Dit verbod is niet van toepassing, als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Dit verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44a

Verbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen

  1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:45

Betreden van plantsoenen en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

Artikel 2:46

Rijden over bermen en dergelijke

  1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden:

    1. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op een openbare plaats op te houden op een wijze die voor weggebruikers of bewoners en gebruikers van nabij de weg gelegen woningen of andere gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47a

Voorwerpen die de openbare orde verstoren of bedreigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats of in voor het publiek toegankelijke gebouwen overlast te veroorzaken, de openbare orde te verstoren, het woon- en leefklimaat nadelig te beïnvloeden of anderszins hinder te veroorzaken door een voorwerp of stof bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de openbare orde of veiligheid te verstoren of waarvan de aanwezigheid ernstige vrees voor het ontstaan van een zodanige verstoring oplevert.

  2. Het bij zich hebben van een mes of steekwapen, dat niet zodanig verpakt is dat het niet voor dadelijk gebruik gereed is, wordt in ieder geval aangemerkt als een omstandigheid die ernstige vrees voor het ontstaan van een verstoring zoals genoemd in het eerste lid oplevert.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te nuttigen, indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  3. Het bepaalde in het tweede en in het vijfde lid geldt niet voor:

    1. een terras en aanhorigheid dat behoort bij een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 2:28;

    2. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

  4. De burgemeester kan ten behoeve van een evenement ontheffing verlenen van het in het tweede lid of in het vijfde lid gestelde verbod.

  5. Het is verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van de navolgende gebieden, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben:

    1. elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een bus- of tramhaltepaal, metro- of treinstation, of een taxistandplaats;

    2. schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van de weg waarop kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken en trapvelden, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 50 meter van de buitenste grenzen van dat object.

Artikel 2:48a

Mosquito

  1. In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen of pleinen

  1. Het is verboden:

    1. zich zonder redelijk doel in een portiek, bordes, poort, nis of onder een luifel, overkapping of op een trap op te houden;

    2. zich in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te bevinden.

    3. zich zonder redelijk doel op een schoolplein of speeltuin op te houden;

    4. zich zonder redelijk doel op andere door het college aangewezen openbare plaatsen op te houden.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:50a

Overig hinderlijk gedrag

  1. Het is verboden op de weg kerstbomen, autobanden en andere voorwerpen of stoffen te vervoeren of bij zich te dragen of anderszins voorhanden te hebben, met het kennelijke doel deze op een openbare plaats te verbranden.

  2. Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 2:50b

Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

  1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

  2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen en dergelijke

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als:

  1. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

  2. daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:52

Òverlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.

Artikel 2:57

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. zowel binnen als buiten de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;

    2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen openbare plaats;

    3. op de openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het bepaalde in het eerste lid onder a is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  3. Het verbod genoemd in het eerste lid onder b geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

  1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan de burgemeester de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod, een muilkorfgebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:60

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    3. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of

    4. te voeren.

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:60a

Storend geluid/voederen van dieren

  1. Een ieder, die de zorg voor een dier heeft, is verplicht al het mogelijke te doen om te voorkomen, dat dit voor de omgeving in ernstige mate storend geluid maakt.

  2. Het is verboden op een openbare plaats dieren, anders dan huisdieren, te voeren.

  3. Ingeval van schaarste kan het college afwijken van het in het tweede lid genoemd verbod door bij te voeren.

Artikel 2:62

Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:65

Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2:66

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die diegene verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt diegene onverwijld:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat diegene het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder a, sub 1°, bedoelde adressen;

    3. als diegene het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat diegene enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:69

Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

[vervallen]

Artikel 2:71

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik, niet zijnde fop- en schertsvuurwerk;

  2. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  3. fop- en schertsvuurwerk: fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit.

  4. leidinggevende:

    1. de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin de vuurwerkverkooppunt wordt geëxploiteerd; of

    2. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de vuurwerkverkooppunt.

Artikel 2:72

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van de burgemeester.

  2. De burgemeester verleent ten hoogste vier vergunningen, als bedoeld in het eerste lid.

  3. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien:

    1. in of vanuit het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet of zich feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat in de omgeving van het vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed;

    2. de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het vuurwerkverkooppunt, dan wel toestaat of gedoogt dat in het vuurwerkverkooppunt strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed;

    3. de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. de vestiging of de exploitatie van het vuurwerkverkooppunt in strijd is met het omgevingsplan of andere bij of krachtens de Omgevingswet gestelde regels;

    5. de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan zijn;

    6. geen melding is gedaan op grond van het Vuurwerkbesluit;

    7. het maximum aantal vergunning reeds is verleend.

  4. De vergunningaanvraag wordt ingediend door de exploitant van de inrichting.

  5. De vergunning is te allen tijde in de inrichting aanwezig.

  6. De vergunning vervalt van rechtswege:

    1. als de beslissing op een aanvraag om een nieuwe vergunning in werking is getreden;

    2. zodra de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk wordt beëindigd;

    3. als geen van de exploitanten meer als zodanig functioneert.

  7. Het college kan nadere regels stellen omtrent het bepaalde in dit artikel.

Artikel 2:73

Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden om tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar consumentenvuurwerk tot ontbranding te brengen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen.

  3. Het in het eerste lid genoemde verbod is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:73a

Verbod bezigen van carbid

  1. Het is verboden carbid op een openbare plaats te bezigen.

  2. Het is verboden materialen te vervoeren of voorhanden te hebben op een openbare plaats die klaarblijkelijk bestemd zijn voor het bezigen van carbid.

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de openbare weg met de daarin gelegen portieken, galerijen, arcaden of nissen post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Verzamelingen van personen in verband met drugs

  1. Het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen als deze verzameling van personen verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.

  2. Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie of een toezichthouder zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2:74b

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:74c

Weggooien van spuiten en dergelijke

Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten, indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zulks geschiedt om afstand van het voorwerp te doen.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:21 a, 2:26 lid 3 onder e, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:50 a en 2:73 van de Algemene Plaatselijke Verordening overtreden.

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor de maximale duur van 3 jaar ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 2:77a

Verblijfsverbod

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een verbod opleggen om in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn gedurende ten hoogste 72 uur.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw één of meer strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een verbod opleggen om gedurende ten hoogste zestien weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als de burgemeester dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

  5. Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2:77b

Verblijfsverbod drugsdealers

  1. De burgemeester kan degene die zich op of aan de weg ophoudt waarbij aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, te verkopen of te koop aan te bieden en die antecedenten heeft op het gebied van het verkopen of te koop aanbieden van drugs of daarop gelijkende waar, een verbod opleggen om in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn gedurende drie maanden.

  2. De burgemeester kan aan degene, aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en die binnen een periode van een jaar opnieuw de in dat lid genoemde bepalingen overtreedt, een verbod opleggen om in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn gedurende zes maanden.

  3. Degene die een verbod heeft gekregen als bedoeld in het eerste of tweede lid is verplicht zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen.

Artikel 2:78

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan de burgemeester daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid

  3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

  4. De last kan een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf als bedoeld in artikel 151d, derde lid, van de Gemeentewet.

Artikel 3:1

Afbakening

De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

  2. bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

  3. escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

  4. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  5. klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

  6. leidinggevende:

    • de natuurlijk persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin het seksbedrijf wordt geëxploiteerd

    • de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van het seksbedrijf;

  7. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  8. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  9. prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

  10. raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;

  11. seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, of het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting;

  12. seksinrichting: de voor publiek toegankelijke locatie van een seksbedrijf;

  13. werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.

Artikel 3:3

Bevoegd bestuursorgaan

  1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

  2. Het college kan haar bevoegdheid als het gaat om escortbedrijven mandateren aan de burgemeester.

Artikel 3:4

Nadere regels

Met het oog op de in dit hoofdstuk genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Artikel 3:5

Vergunning

  1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning.

  2. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

  3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)is niet van toepassing.

  4. Een vergunning wordt voor één seksinrichting verleend.

  5. De vergunning voor een seksbedrijf wordt verleend voor de duur van drie jaar, tenzij in de vergunning anders staat vermeld. De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld en is niet overdraagbaar.

Artikel 3:6

Concentratie seksbedrijven

Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing geldt voor seksbedrijven van een nader aangewezen aard.

Artikel 3:7

Maximering seksbedrijven en nul-beleid raamprostitutiebedrijven

  1. Het college kan een maximum stellen aan het aantal vergunningen voor een seksbedrijf dat kan worden verleend. Hierbij kan worden bepaald dat een maximum slechts geldt voor seksbedrijven van een nader aangewezen aard of in nader aangewezen delen van de gemeente.

  2. Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.

Artikel 3:8

Aanvraag

  1. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier.

  2. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens van de exploitant;

    2. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    3. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

    4. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    5. het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

    6. het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    7. een geldig identiteitsbewijs van de exploitant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;

    8. indien van toepassing de verblijfstitel van de exploitant;

    9. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

    10. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;

    11. indien van toepassing, de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

    12. indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding waarop duidelijk is weergegeven het gebruik en de afmetingen van de aanwezige ruimten alsmede de brandpreventieve voorzieningen;

    13. indien van toepassing, het aantal voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees.

  3. Als er een leidinggevende is aangesteld, is het tweede lid, onder a,b,c,g en h van overeenkomstige toepassing op de leidinggevende;

  4. Als het bevoegde bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 3:9

Weigeringsgronden

  1. Een vergunning wordt geweigerd als:

    1. de exploitant of de leidinggevende onder curatele staat;

    2. de exploitant of de leidinggevende is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;

    3. de exploitant of de leidinggevende onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. de exploitant of leidinggevende de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

    5. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    6. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

    7. de exploitant of leidinggevende minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

    8. de exploitant of leidinggevende minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      1. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen;

      2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

      3. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

      4. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie;

    9. er een maximum als bedoeld in artikel 3:7 is vastgesteld en dit maximum al bereikt is;

    10. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:6.

  2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid onder g, wordt gelijkgesteld:

    1. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

    2. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,- bedraagt;

  3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

  5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:

    1. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:11, eerste lid, onder a tot en met d, of tweede lid, onder a tot en met g, is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

    2. als niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 3:8 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    3. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

    4. als het bedrijfsplan niet voldoet aan het bepaalde bij artikel 3:17, eerste en tweede lid;

    5. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:18 gestelde verplichtingen zal naleven;

    6. als de exploitant of de leidinggevende betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het seksbedrijf, dan wel toestaan of gedoogt dat in zijn seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    7. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

    8. als er aanwijzingen zijn dat voor of bij de exploitant personen werken of zullen werken die:

      • als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt;

      • als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt;

      • slachtoffer zijn van mensenhandel;

      • verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 3:10

Eisen met betrekking tot vergunning

  1. De vergunning vermeldt in ieder geval:

    1. de naam van de exploitant;

    2. indien van toepassing, die van de leidinggevende;

    3. voor welke activiteit de vergunning is verleend;

    4. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    5. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    6. het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend;

    7. de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

    8. de geldigheidsduur van de vergunning;

    9. het nummer van de vergunning.

  2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend.

  3. Het is verboden te handelen in strijd met het tweede lid.

Artikel 3:11

Intrekkingsgronden

  1. De vergunning wordt ingetrokken als:

    1. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

    2. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

    3. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, onder a tot en met h;

    4. de vergunninghouder dat verzoekt;

    5. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:6;

  2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken:

    1. als is gehandeld in strijd met de artikelen 3:9, vijfde lid, onder h, 3:12, 3:15, 3:17 of 3:18 eerste lid en tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder i;

    2. als is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    3. als in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

    4. als een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of leidinggevende is geworden;

    5. als is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens de hoofdstuk van deze verordening gestelde bepalingen;

    6. als is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

    7. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    8. als de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefomgeving nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting;

    9. als zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid of de woon- en leefomgeving;

    10. als de veiligheid of de gezondheid van werkzame personen of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het seksbedrijf;

    11. als de exploitant of de leidinggevende betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het seksbedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    12. als de exploitant of de leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

    13. als er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

    14. als gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:11a

Sluiting van een seksinrichting

  1. Het bevoegd bestuursorgaan kan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd voor publiek of algeheel gesloten verklaren, als het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning dan wel een van de in artikel 3:11, tweede lid onder h, i en j, genoemde situaties zich voor doet.

  2. Het bevoegd bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  4. Het is de exploitant of leidinggevende van een seksinrichting verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  6. Een sluiting kan op aanvraag van een belanghebbende door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de situatie die tot de sluiting heeft geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 3:12

Melding gewijzigde omstandigheden

De exploitant meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:10, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegd bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3:14

Sluitingstijden seksinrichtingen, aanwezigheid en toegang

  1. Het is de exploitant of leidinggevende verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 01.00 uur en 07.00 uur en in het weekeinde (vrijdagnacht en zaterdagnacht) tussen 02.00 uur en 07.00 uur.

  2. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor één of meer seksinrichtingen of categorieën van seksinrichtingen de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken dan wel andere sluitingstijden vaststellen.

  3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn.

  4. Het is de exploitant of de leidinggevende verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

Artikel 3:15

Adverteren

Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:

  1. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

  2. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld in het eerste lid;

  3. als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Artikel 3:17

Bedrijfsplan

  1. Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:

    1. op het gebied van hygiëne;

    2. ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

    3. ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

    4. ter voorkoming van strafbare feiten.

  2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:

    1. de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

    2. inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;

    3. in de werkruimte te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

    4. in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

    5. de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

    6. de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

    7. de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

    8. de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

    9. de prostituee niet verplicht kan worden om zonder condoom te werken;

    10. de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

    11. aan de voor de exploitant werkzame leidinggevende voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

    12. de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij de exploitant gaat werken, teneinde vast te stellen of de prostituee voldoet aan de eisen die de exploitant hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

    13. de exploitant voor elke voor of bij de exploitant werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden de prostituee de diensten aanbiedt;

    14. de exploitant of leidinggevende zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat de exploitant of leidinggevende in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

    15. de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met het werk in de prostitutie;

    16. er voldoende toezicht plaatsvindt op het prostitutiebedrijf;

    17. de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichting beperkt wordt.

  3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning;

  4. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor de prostituee begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

  5. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

  6. Het is verboden te handelen in strijd met het eerste, vierde en vijfde lid.

Artikel 3:18

Verdere verplichtingen van de exploitant en leidinggevende prostitutiebedrijf

  1. De exploitant of de leidinggevende is aanwezig gedurende de uren dat de seksinrichting van een prostitutiebedrijf daadwerkelijk is geopend. De exploitant of leidinggevende van een escortbedrijf houdt effectief toezicht gedurende de uren dat het escortbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

  2. De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:

    1. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

    2. er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval:

      1. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;

      2. de verhuuradministratie;

      3. de werkroosters van de beheerders;

    3. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

    4. medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

    5. dat onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

  3. Het is verboden te handelen in strijd met het eerste en tweede lid.

Artikel 3:19

Verbod raam- en straatprostitutie

Het is verboden:

  1. door woorden, houding, gebaren of andere feitelijke gedragingen op of aan de weg , op of in publiek toegankelijke plaatsen, in deuropeningen, dan wel binnenshuis zichtbaar voor publiek, iemand tot prostitutie uitnodigen of uitlokken, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking in te gaan;

  2. op de weg ontuchtige handelingen te verrichten indien dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.

Artikel 4:1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  2. Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  3. Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  4. Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  5. Inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Besluit;

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor ten hoogste twaalf door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148 eerste lid van het Besluit geldt niet voor ten hoogste twaalf door het college per kalenderjaar aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.

  4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 15 dB(A) ten opzichte van de in het eerste lid genoemde geluidsnormen, gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter en in- en aanpandige gevoelige gebouwen.

  7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Ook wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  8. Gedurende een collectieve festiviteit, als bedoeld in het eerste lid, dient het ten gehore brengen van de extra muziek –hoger dan de geluidsnormen als bedoeld in de artikel 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- plaats te vinden op zondag tot en met donderdag tussen 07:00 uur en 01:00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 07:00 uur en 02:00 uur.

  9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen in een inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen in een inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:3

Kennisgeving incidentele festiviteiten

  1. De geluidsnormen als bedoeld in artikel 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening zijn, mits de houder van de inrichting tenminste vijf werkdagen voor aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld, per kalenderjaar niet van toepassing voor maximaal twaalf incidentele festiviteiten.

  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de vergunninghouder van de milieubelastende activiteit ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  3. Het college stelt de wijze vast waarop de kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt gedaan.

  4. De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer zij tijdig en volgens de wijze die door het college is vastgesteld, is gedaan.

  5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, toestaat.

  6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 15 dB(A) ten opzichte van de in het eerste lid genoemde geluidsnormen, gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter en in- en aanpandige gevoelige gebouwen.

  7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid geldt voor zowel versterkte muziek alsook voor onversterkte muziek. De muziekgeluidcorrectie en de bedrijfsduurcorrectie worden bij deze beoordeling buiten beschouwing gelaten.

  8. Gedurende een incidentele festiviteit, als bedoeld in het eerste lid, dient het ten gehore brengen van de extra muziek –hoger dan de geluidsnormen als bedoeld in de artikel 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- plaats te vinden op zondag tot en met donderdag tussen 07:00 uur en 01:00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 07:00 uur en 02:00 uur.

  9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen in een inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:7

Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:10

Verbod oplaten ballonnen

  1. Het is verboden een ballon, van welk materiaal dan ook, door middel van helium of enig ander gas dat lichter dan lucht is, op te laten in de buitenlucht zonder dat deze op enige wijze met het aardoppervlak verbonden is.

  2. Onder ballon wordt verstaan: feest-, geluks-, papier-, wens-, sfeer-, herdenkings-, reclameballon of – lampion en dergelijke.

  3. Het verbod is niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart, of op ballonnen die noodzakelijk zijn voor meteorologische of andere wetenschappelijke waarnemingen.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden om zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.

  2. Het verbod is niet van toepassing voor onverlichte:

    1. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;

    2. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;

    3. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50m² en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:

      1. een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

      2. het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;

    4. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

    5. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.

  4. Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.

  5. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    1. als de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    2. in het belang van de verkeersveiligheid;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:17

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod is niet van toepassing op het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    1. de bescherming van natuur en landschap; of

    2. de bescherming van een stadsgezicht.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadert regels stellen ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Artikel 5:1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990);

  2. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.

Artikel 5:2

Parkeren van voertuigen van bedrijven

  1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    1. drie of meer voertuigen, met of zonder reclameopschrift, die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, dan wel;

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:

    1. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

    2. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

    1. voertuigen waarin herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

    2. voertuigen gebruikt voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.

  4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:3

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

Artikel 5:4

Defecte voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een defect voertuig mede begrepen een niet van een kenteken voorzien voertuig, voor zover voor het rijden met het betrokken voertuig het voeren van zodanig kenteken wettelijk verplicht is.

Artikel 5:5

Voertuigwrakken

  1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6

Caravans en dergelijke

  1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben.

  2. Het college kan wegen en weggedeelten aanwijzen waar het onder het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:7

Parkeren van reclamevoertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:8

Parkeren van grote voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  3. Het verbod in het eerste en tweede lid is niet van toepassing van 07.00 tot 19.00 uur.

  4. De verboden in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9

Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10

Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

  1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin is voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:11

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  2. Dit verbod is niet van toepassing:

    1. op de weg;

    2. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    3. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:12

Overlast van fiets of bromfiets

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen:

    1. onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan; of

    2. langer dan twee weken aaneengesloten onbeheerd te laten staan.

  2. Het is verboden op of aan de weg fietsen of bromfietsen hinderlijk te parkeren, zoals:

    1. op zodanige wijze voor of tegen een gebouw, dat daardoor voor een bewoner of gebruiker van dat gebouw de toegang of het uitzicht wordt belemmerd;

    2. op zodanige wijze op een voetpad of trottoir, dat daardoor de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;

    3. op geleidelijnen die op de weg zijn aangebracht ten behoeve van visueel gehandicapten;

    4. op zodanige wijze dat daardoor het in- en uitstappen bij tram, bus taxi of gehandicaptenplaats gehinderd of belemmerd wordt;

    5. op zodanige wijze dat daardoor de functie van straatmeubilair gehinderd of belemmerd wordt;

    6. tegen monumenten of gedenktekens; of

    7. op een zodanige wijze dat daardoor de doorgang en opbouw op een markt wordt gehinderd of belemmerd.

Artikel 5:12a

Vergunningsplicht deeltweewielers

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig fietsen of bromfietsen voor gebruik door derden op de weg te plaatsen.

  2. Het college stelt nadere regels vast ten behoeve van het creëren van gelijke kansen om voor een vergunning in aanmerking te komen, als het aantal aanvragen het maximaal aantal vergunningen te verlenen overtreft, waarbij in ieder geval regels worden gesteld betreffende:

    1. de inhoud en wijze van indiening van een aanvraag;

    2. de verdelings- en toekenningsprocedure voor een vergunning.

  3. Het college bepaalt het maximum aantal te verlenen vergunningen met in achtneming van maximaal 1 geëxploiteerd voertuig per 100 inwoners.

  4. Één aanbieder, mag maximaal 50 procent van het in lid 3 genoemde maximum aantal voertuigen exploiteren.

  5. Ter bepaling van de in het derde lid inwoneraantal wordt als peildatum 1 januari van het jaar dat de vergunning wordt aangevraagd gebruikt.

  6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:12b

Weigering vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert het college de vergunning: als het maximaal aantal af te geven vergunningen is verleend.

Artikel 5:12c

De vergunning

  1. De vergunning wordt verleend voor de duur van maximaal vijf jaar.

  2. Het college vermeldt in de vergunning in ieder geval:

    1. de naam van de vergunninghouder;

    2. de locaties en deelgebieden waar deeltweewielers geplaatst mogen worden;

    3. het aantal en type toegestane fietsen of bromfietsen.

  3. Aan de vergunning worden in ieder geval voorschriften verbonden met betrekking tot het voorkomen van overlast en openbare orde verstoring.

Artikel 5:12d

Schorsing, intrekking en wijziging vergunning

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het college de vergunning schorsen, intrekken of wijzigen als gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

  2. De vergunning vervalt van rechtswege als:

    1. binnen zes maanden na verlening van de vergunning niet is gestart met de exploitatie van deeltweewielers;

    2. de exploitatie van deeltweewielers voor een periode van langer dan zes maanden onderbroken is geweest.

  3. In afwijking van het eerste lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel reeds onder dit artikel vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten eerst drie maanden na inwerkingtreding van dit artikel.

Artikel 5:13

Inzameling van geld of goederen en werving van leden of donateurs

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  2. Onder een inzameling wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  3. Het verbod is niet van toepassing op een inzameling of werving die wordt gehouden:

    1. in besloten kring;

    2. door een instelling met een CBF-keurmerk in de periode zoals vastgesteld in het CBF-collecterooster; of

    3. door andere, door het college aangewezen instellingen.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het college de vergunning weigeren als de aanvrager in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:14

Begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten als bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22 van deze verordening.

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten als bedoeld in het eerste lid op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17 van deze verordening.

Artikel 5:15

Ventverbod

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college te venten.

  2. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:16

Vrijheid van meningsuiting

  1. Het verbod van artikel 5:15 is niet van toepassing op venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet verboden:

    1. op door het college aangewezen openbare plaatsen; of

    2. op door het college aangewezen dagen en uren.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het tweede lid.

Artikel 5:17

Begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    2. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24;

    3. vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:2.

Artikel 5:18

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

    1. als de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    2. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

  4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:19

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20

Afbakeningsbepalingen

  1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

Artikel 5:21a

Vergunninghouder/Overschrijven standplaats

  1. Een vergunning wordt alleen verleend aan natuurlijke handelingsbekwame personen.

  2. Per persoon wordt voor dezelfde periode niet meer dan één vergunning verleend.

  3. In geval van overlijden of aangetoonde blijvende arbeidsongeschiktheid van een vergunninghouder kan het college de vergunning voor de resterende geldigheidsduur op verzoek overschrijven op de naam van de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een kind van de vergunninghouder.

  4. Een verzoek als bedoeld in het derde lid van dit artikel geschiedt binnen zes weken na het overlijden van de vergunninghouder of nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder is vastgesteld.

Artikel 5:21b

Standplaatsvrije gebieden

  1. Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor geen vergunning wordt verleend.

  2. Ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde gebieden kan het college ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats met een verplaatsbare verkoopinrichting voor de verkoop van de navolgende (seizoensgebonden) producten in de volgende perioden:

    1. ijs 1 maart tot en met 31 oktober (inrichting maximaal 10 m²);

    2. haring 1 mei tot en met 1 augustus (inrichting maximaal 10 m²);

    3. oliebollen 1 oktober tot en met 15 januari;

    4. kerstbomen 6 december tot en met 24 december;

    5. bloemen gehele jaar (alleen op zaterdag) (inrichting maximaal 10 m²);

    6. kortlopende standplaatsen met een incidenteel karakter voor de promotie van een product of dienst (inrichting maximaal 10 m²).

Artikel 5:21c

Inneming en ontruiming standplaats

De vergunninghouder mag de standplaats uiterlijk een uur voor aanvang van de verkooptijd innemen en dient de standplaats volledig te hebben ontruimd binnen een uur nadat de verkoop dient te zijn beëindigd. Voor standplaatsen voor de verkoop van oliebollen en kerstbomen kan het college, onder nader te stellen voorwaarden, van deze eis ontheffing verlenen.

Artikel 5:22

Begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.

  2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:

    1. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    2. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:23

Organiseren van een snuffelmarkt

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

  3. De burgemeester kan de vergunning weigeren wegens strijd met het omgevingsplan.

  4. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:25

Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

[vervallen]

Artikel 5:28

Beschadigen van waterstaatswerken

  1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:29

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:29a

Zwemmen

Het is verboden in het openbaar water te zwemmen of te baden, op de plaatsen door het college aangegeven.

Artikel 5:30

Veiligheid op het water

  1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het is verboden te klimmen, zich daarop te begeven of zich te bevinden op bolders, aanlegpalen, duikers, pompen, bakens, sluizen en dergelijke waterstaatswerken.

  3. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:31

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  2. motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Artikel 5:32

Crossterreinen

  1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    2. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    3. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5:34

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden.

  3. Het college kan perioden, tijden en gebieden aanwijzen waar en wanneer de in het tweede lid onder c genoemde uitzondering, beperkt wordt.

  4. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  6. Het verbod is niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:35

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36

Verboden plaatsen

  1. Incidentele asverstrooiing is verboden buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

  2. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

Artikel 6:1

Sanctiebepaling

  1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie:

    • 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

      2:6 Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

      2:10 (Voorwerpen op of aan de weg

      2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

      2:12 Maken, veranderen van uitweg

      2:13 Veroorzaken van gladheid

      2:14 Winkelwagentjes

      2:16 Openen straatkolken en dergelijke

      2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

      2:20 Vallende voorwerpen

      2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

      2:21a Verwijdering en dergelijke van voorzieningen en voor verkeer- en verlichting

      2:22 Objecten onder hoogspanningslijnen

      2:22a.Valschermspringen

      2:23 Veiligheid op het ijs

      2:23a Verboden slaapverblijf

      2:25 Evenementenvergunning

      2:25a Meldingsplichtig evenement

      2:25b Nadere regels, organiseren van een evenement

      2:26 Verboden gedragingen bij evenementen

      2:26a Verbod gebruik wegwerpplastic

      2:28 Exploitatievergunning openbare inrichtingen

      2:28f Sluiting van horecabedrijven

      2:29 Openings- en sluitingstijden

      2:31 Verboden gedragingen

      2:31a Exploitatieregels openbare inrichtingen, verplichtingen exploitant

      2:32 Handel binnen openbare inrichtingen

      2:34 Beperking verstrekking sterke drank

      2:38 Verschaffen gegevens nachtregister

      2:40a Vergunningplicht speelautomatenhal en gamecenter

      2:40c De vergunning

      2:40f Gokken op de openbare weg

      2:40g Sluiting overlastgevende gokpanden

      2:41 Betreden gesloten woning of lokaal

      2:41a Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen

      2:42 Plakken en kladden

      2:47a Voorwerpen die de openbare orde verstoren of bedreigen

      2:50b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

      2:59 Gevaarlijke honden

      2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

      2:60a Storend geluid/voederen van dieren

      2:65 Bedelarij

      2:73 Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

      2:73a Verbod bezigen van carbid

      2:74 Drugshandel op straat

      2:74a Verzameling van personen in verband met drugs

      2:74b Openlijk drugsgebruik

      2:74c Weggooien van spuiten en dergelijke

      2:77a Verblijfsverbod

      3:4 Nadere regels

      3:5 Vergunning

      3:7 Maximering seksbedrijven en nul-beleid raamprostitutiebedrijven

      3:10 Eisen met betrekking tot vergunning

      3:15 Adverteren

      4:6 Overige geluidhinder

      4:7 Straatvegen

      4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buitengebouwen

      4:10 Verbod oplaten ballonnen

      4:13 Verbod opslag voertuigen en dergelijke

      4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

      4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterrein

      5:2 Parkeren van voertuigen van bedrijven

      5:3 Te koop aanbieden voertuigen

      5:4 Defecte voertuigen

      5:5 Voertuigwrakken

      5:6 Caravans en dergelijke)

      5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

      5:8 Parkeren van grote voertuigen

      5:9 Parkeren uitzichtbelemmerende voertuigen

      5:10 Parkeren voertuigen met stankverspreidende stoffen

      5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

      5:12 Overlast fiets/bromfiets

      5:12a Vergunningsplicht deeltweewielers

      5:13 Inzameling geld of goederen en werving van leden of donateurs

      5:15 Ventverbod

      5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

      5:23 Organiseren van een snuffelmarkt

      5:28 Beschadigen waterstaatswerken

      5:29 Reddingsmiddelen

      5:29a Zwemmen

      5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

      5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

      5:36 Verboden plaatsen

  2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie:

    • 2:9 Straatartiest en straatmuzikant

      2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke

      2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

      2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke

      2:46 Rijden over bermen en dergelijke

      2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

      2:48 Verboden drankgebruik

      2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen of pleinen

      2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

      2:50a Overig hinderlijk gedrag

      2:51 Neerzetten van fietsen en dergelijke

      2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke

      2:53 Bespieden van personen

      2:57 Loslopende honden

      2:58 Verontreiniging door honden

      2:62 Loslopend vee

      4:8 Natuurlijke behoefte doen

      5:30 Veiligheid op het water

  3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vierde lid, 2:11, tweede lid.

  4. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 6:2

Toezichthouders

  1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, zijn belast:

    1. de medewerkers publiekswerkzaamheden A,B en C en de vakspecialisten B werkzaam bij het team Toezicht & Handhaving;

    2. de opsporingsambtenaren van de nationale politie, eenheid Rotterdam

    3. de Buitengewoon opsporingsambtenaren van Staatsbosbeheer voor het verzorgingsgebied van de coöperatieve vereniging beheer groengebieden Midden-Delfland, voor zover dit gebied behoort tot het grondgebied van de gemeente Schiedam;

    4. handhavers van het cluster Stadsbeheer, sector Toezicht & Handhaving van de gemeente Rotterdam.

  2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 6:3

Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4

Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

  1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  2. De ‘Algemene plaatselijke verordening Schiedam 2013’ wordt ingetrokken.

Artikel 6:5

Overgangsbepaling

  1. Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

  2. Besluiten genomen krachtens eerdere versies van deze verordening die golden op het moment van de inwerkingtreding van wijzigingen van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6:6

Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Algemene plaatselijke verordening gemeente Schiedam 2025’ of als ‘APV Schiedam 2025’.

← terug naar wetten