Algemene plaatselijke verordening Eindhoven BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3. Evenementen
Paragraaf Afdeling 4. Voetbalwedstrijden
Paragraaf Afdeling 5. Exploitatie van openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 6. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 7. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 8. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 9. Maatregelen voor bepaalde inrichtingen, ruimten, gebouwen en erven
Paragraaf Afdeling 10. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 11. Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 12. Consumentenvuurwerk
Paragraaf Afdeling 13. Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 14. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
Paragraaf Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Paragraaf Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden
Paragraaf Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Paragraaf Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Onder samenscholing wordt verstaan: het groepsgewijs bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben.

  3. Degene die op een openbare plaats:

  4. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

  5. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

  6. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  7. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden is afgezet.

  8. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het vierde lid.

  9. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

  10. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:1a

Ordeverstorende, gevaarlijke of verhullende voorwerpen

Het is verboden op een openbare plaats een voorwerp of stof:

  1. te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen,

  2. over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen of te vervoeren,

waarvan gelet op zijn aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp of die stof wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit is bestemd of gebruikt voor verstoring van de openbare orde of het in gevaar brengen van de veiligheid, dan wel voor het beletten, belemmeren of verijdelen van herkenning.

Artikel 2:3

Kennisgeving samenkomsten of betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats:

  2. een samenkomst te houden tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging als bedoeld in artikel 3 van de Wet openbare manifestaties, of;

  3. een betoging of vergadering te houden als bedoeld in artikel 4 van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 24 uur voordat deze wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  4. De kennisgeving bevat:

  5. naam en adres en (mobiel) telefoonnummer van degene die de samenkomst, de betoging of vergadering houdt;

  6. het doel van de samenkomst, betoging of vergadering;

  7. de datum waarop de samenkomst, betoging of vergadering wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

  8. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

  9. het verwachte aantal deelnemers en gebruik van muziek, geluidsapparatuur, podium, tenten, vervoermiddelen of andere ter zake doende goederen;

  10. maatregelen die degene die de betoging, samenkomst of vergadering houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen, in het bijzonder de voorgenomen instructie aan de deelnemers en, voor zover van toepassing, EHBO, verkeersregelaars, beveiliging, brandpreventie en afvaldienst.

  11. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  12. Voor de berekening van de kennisgevingstermijn worden niet meegerekend de tijd tussen vijf uur ’s middags en negen uur de daaropvolgende morgen, de tijd tussen vrijdagmiddag vijf uur en de daaropvolgende maandagmorgen negen uur, en algemeen erkende feestdagen en daarmee gelijkgestelde dagen als bedoeld in artikel 3 van de Algemene termijnenwet.

  13. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:4

Afwijking termijn kennisgeving

[Vervallen; opgenomen in artikel 2:3]

Artikel 2:5

Te verstrekken gegevens

[Vervallen; opgenomen in artikel 2:3]

Artikel 2:6

Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door burgemeester en wethouders aangewezen openbare plaatsen.

  2. Burgemeester en wethouders kunnen de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:6a

Beperking aanbieden goederen

  1. Het is verboden goederen, niet zijnde gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, aan te bieden aan het publiek op door burgemeester en wethouders aangewezen openbare plaatsen.

  2. Burgemeester en wethouders kunnen de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:9

Straatartiest e.d.

  1. Het is verboden op een door de burgemeester aangewezen openbare plaats en tijd ten behoeve van het publiek als straatartiest op te treden.

  2. Het is verboden op een andere dan deze aangewezen openbare plaats en tijd voor het publiek als straatartiest op te treden als:

  3. dit optreden plaatsvindt buiten winkelopeningstijden;

  4. dit optreden langer duurt dan een half uur op dezelfde plaats;

  5. dit optreden plaatsvindt in geheel of gedeeltelijk overdekte ruimten;

  6. dit optreden plaatsvindt bij of tijdens een evenement of weekmarkt;

  7. tijdens het optreden voorwerpen worden geplaatst waardoor het (voetgangers)verkeer wordt gehinderd;

  8. tijdens het optreden geluidversterkende apparatuur of trommels worden gebruikt;

  9. wordt opgetreden voor reclamedoeleinden;

  10. artikelen worden verkocht of geld wordt aangenomen waarvoor het publiek is benaderd;

  11. binnen 24 uur meer dan twee keer binnen een cirkel met een straal van 50 meter wordt opgetreden.

Artikel 2:10

Gebruik van of voorwerpen op, aan, onder of boven de weg

  1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Geen vergunning is vereist voor de door burgemeester en wethouders aan te wijzen categorieën en gevallen onder de door hen te stellen voorwaarden.

  3. Behalve op de gronden genoemd in artikel 1:8, kan de vergunning worden geweigerd:

  4. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, of een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

  5. als het beoogde gebruik op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

  6. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  7. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid, de woon- en leefomgeving of de bescherming van het milieu nadere regels stellen ten aanzien van laadpalen, terrassen, uitstallingen en reclameborden.

  8. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam uitvoering wordt gegeven aan een publieke taak.

  9. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:10a

Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen

  1. Het in artikel 2:10 gestelde verbod is niet van toepassing op:

  2. evenementen, bedoeld in artikel 2:24;

  3. standplaatsen, bedoeld in artikel 5:17;

  4. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

  5. Het verbod is ook niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2022.

  6. De weigeringsgrond van artikel 2:10, derde lid, onder a, is niet van toepassing indien in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

  7. De weigeringsgrond van artikel 2:10, derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.

  8. De weigeringsgrond van artikel 2:10, derde lid, onder c, is niet van toepassing indien hierin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:10b Terrassen

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Geen vergunning is vereist voor de door de burgemeester aan te wijzen categorieën en gevallen onder de door hen te stellen voorwaarden.

  3. Behalve op de gronden genoemd in artikel 1:8, kan de vergunning worden geweigerd:

    a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, of een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    b. als het beoogde gebruik op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    c. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  4. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid, de woon- en leefomgeving of de bescherming van het milieu nadere regels stellen ten aanzien van terrassen.

  5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam uitvoering wordt gegeven aan een publieke taak.

  6. Het is verboden een terras voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de vergunning ter plaatse aanwezig is.

  7. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam uitvoering wordt gegeven aan een publieke taak.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2022 of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:12

Maken of veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders:

  2. een uitweg te maken naar de weg;

  3. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

  4. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  5. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

  6. de bruikbaarheid van de weg;

  7. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

  8. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

  9. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  10. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een wet of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2022.

Artikel 2:14

Winkelwagentjes

  1. In dit artikel wordt onder de onmiddellijke omgeving van het bedrijf verstaan:

  2. het winkelcentrum waarin het bedrijf is gevestigd;

  3. de aan het bedrijf of dat winkelcentrum grenzende weg;

  4. een aan die weg aansluitende parkeerplaats.

  5. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze:

  6. te voorzien van de naam van dat bedrijf of van een ander herkenningsteken, en

  7. bij achterlating in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf op een daartoe niet aangewezen en ingerichte plaats, terstond te verwijderen of te doen verwijderen.

  8. Het is verboden zich met een winkelwagentje buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf te bevinden of dat winkelwagentje na gebruik onbeheerd achter te laten.

  9. Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daar op achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.

  10. Het in het tweede lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

  1. Het is verboden een voorwerp of beplanting zodanig aan te brengen of te hebben dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd.

  2. Het is verboden een beplanting zodanig aan te brengen of te hebben dat deze een gemeentelijke lantaarnpaal overgroeit of lichtreductie veroorzaakt.

  3. Het is verboden een voorwerp of beplanting zodanig aan te brengen of te hebben dat op enige andere wijze hinder of gevaar wordt veroorzaakt.

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  1. Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

  2. te roken gedurende de periode 1 januari tot en met 31 december;

  3. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  4. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  5. De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en op aangrenzende erven.

Artikel 2:19

Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

  1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,5 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Burgemeester en wethouders maken van tevoren aan de rechthebbende het besluit tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening, bekend.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22

Objecten onder hoogspanningslijn

  1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  2. Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:24

Begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

  2. bioscoopvoorstellingen;

  3. schouwburg-, muziek- of theatervoorstellingen die plaatsvinden in een locatie waarop milieubelastende activiteiten worden verricht als bedoeld in de bijlgae bij de Omgevingswet en die zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving en/of waarop de afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing is;

  4. voetbalwedstrijden, als bedoeld in artikel 2:26a, tweede lid;

  5. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

  6. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

  7. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

  8. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 (straatartiest) en 2:39 (exploitatie speelgelegenheid);

  9. sportwedstrijden, georganiseerd door een bij de NOC*NSF aangesloten of door burgemeester en wethouders erkende instelling, die volgens door die instelling vastgestelde regels worden gehouden of gespeeld en worden gespeeld of gehouden in of op accommodaties waarover de organisator permanent de beschikking heeft.

  10. Onder evenement wordt mede verstaan:

  11. een herdenkingsplechtigheid;

  12. een braderie;

  13. een optocht niet zijnde een samenkomst, betoging of vergadering als bedoeld in artikel 2:3;

  14. een festiviteit, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

  15. een circus of kermis;

  16. een vechtsportwedstrijd of -gala.

Artikel 2:25

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. Onverminderd artikel 1:8 weigert de burgemeester de evenementenvergunning bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, als de organisator van dat evenement in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

    3. Daarnaast kan de burgemeester een evenementenvergunning weigeren indien:

    a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten;

    b. de persoon van de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop voor het evenement,

    c. in de door de burgemeester en wethouders vastgestelde reserveringskalender evenementen al een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de directe nabijheid daarvan, of;

    d. de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie of het evenement niet voldoet aan het locatieprofiel dat het college voor die locatie heeft vastgesteld.

    4. Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de procedure, voorwaarden en criteria voor plaatsing op de reserveringskalender evenementen.

  3. Het verbod geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994 en de Omgevingsverordening Noord-Brabant 2010.

  4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  5. Bij de indiening van een vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

Artikel 2:25a

Beslistermijn

  1. In afwijking van artikel 1:2 beslist de burgemeester op een aanvraag voor een evenementenvergunning binnen 16 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

  2. De burgemeester kan de beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 2:25b

Opheffing vergunningplicht

  1. De burgemeester kan besluiten onder door hem te stellen voorschriften, dat het verbod zoals opgenomen in artikel 2:25 niet geldt voor een door hem aangewezen evenement, of categorie van evenementen, in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.

  2. Het houden van een evenement waarvoor ingevolge een besluit als bedoeld in het eerste lid geenvergunning behoeft te worden verleend, wordt binnen vier weken voor de datum van de aanvang van het evenement, gemeld bij de burgemeester.

  3. De burgemeester kan binnen tien dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het eerste lid te verbieden.

Artikel 2:26

Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 2:26a

Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  • omgeving van het Jan Louwersstadion: het gebied dat wordt omsloten door de Antoon Coolenlaan, de Professor Holstlaan, de Rijksweg A2/A67, de Roostenlaan en de Floralaan West, daarbij inbegrepen de genoemde wegen;

  • omgeving van het Philipsstadion: het gebied dat wordt omsloten door de Boschdijk, de Marconilaan, de Beukenlaan (inclusief het gehele spoorwegstation Eindhoven Strijp S), de Strijpsestraat, de Willemstraat, de Vonderweg, de Mauritsstraat, de Edenstraat, de Dr. Schaepmanlaan, de Elzentlaan, de St. Jorislaan, de Geldropseweg, de Vestdijk, de Bleekstraat, de Nachtegaallaan, de Parklaan, het Dommeltunneltje, de Prof. Dr. Dorgelolaan en Fellenoord, daarbij inbegrepen de genoemde wegen;

  • organisator:

  • de betaald voetbalorganisaties PSV en FC Eindhoven, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie PSV of FC Eindhoven dan wel Jong PSV als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie;

  • de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Eindhoven, waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie is betrokken;

  • degene die buiten de gevallen genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie of een nationaal elftal is betrokken;

  • stadion: de locatie waar de organisator een wedstrijd organiseert;

  • voetbalsupporter: een persoon die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteert als voetbalsupporter, of bij de politie als zodanig geregistreerd staat in de daartoe bestemde registers;

  • voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator.

Artikel 2:26b

Voetbalvergunning

  1. Het is de organisator verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden. Een vergunning kan meer wedstrijden betreffen.

  2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend uiterlijk vier weken voor de datum van de voetbalwedstrijd.

  3. De burgemeester kan van de hiervoor vermelde termijn afwijken en de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.

  4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26c

Verbod voetbalwedstrijd en aanwijzing risicowedstrijd

  1. De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden:

  2. uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde of veiligheid;

  3. als de krachtens artikel 1:4 verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nageleefd;

  4. als niet of niet tijdig een vergunning is aangevraagd.

  5. Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen wanneer een verbod, als bedoeld in het vorige lid is uitgevaardigd.

  6. De burgemeester kan een voetbalwedstrijd aanwijzen als een risicowedstrijd, als daaraan naar zijn oordeel een verhoogd risico is verbonden voor de openbare orde en veiligheid.

Artikel 2:26d

Ordeverstoring bij voetbalwedstrijden

Het is verboden bij een voetbalwedstrijd de orde te verstoren.

Artikel 2:26e

Aangewezen routes en (combi)vervoer

  1. Het is een voetbalsupporter verboden op de dag waarop een voetbalwedstrijd wordt gespeeld die door de burgemeester als risicowedstrijd is aangewezen, zich te begeven of te bevinden buiten de door de politie aangewezen routes.

  2. Het is een voetbalsupporter van een bezoekende voetbalorganisatie verboden anders dan door de burgemeester aangewezen (combi)vervoer te gebruiken naar en van een voetbalwedstrijd die door de burgemeester als risicowedstrijd is aangewezen.

Artikel 2:26f

Verwijderingsplicht voetbalsupporters

Een voetbalsupporter die niet in het bezit is van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd of van wie het vermoeden bestaat dat hij van plan is de orde te verstoren, is verplicht zich op bevel van een ambtenaar van de politie onder de door hem gegeven aanwijzingen naar een in dat bevel aangegeven plaats, of buiten de gemeentegrenzen te begeven.

Artikel 2:26g

Stadionomgevingsverbod

  1. De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk bevelen zich niet op te houden in de omgeving van het stadion of een gedeelte daarvan vanaf vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van een voetbalwedstrijd van de organisator. Het bevel geldt voor een bepaalde periode die niet langer is dan twee jaar.

  2. Het bevel geldt niet voor zover de persoon tot wie dat bevel is gericht in het gebied woont is, blijkens de basisregistratie personen.

  3. De burgemeester kan het bevel geven:

  4. nadat de persoon de openbare orde in het stadion of in de omgeving van het stadion heeft verstoord op een dag dat een voetbalwedstrijd wordt gespeeld;

  5. aan personen aan wie een stadionverbod is opgelegd.

Artikel 2:26h

Plaatsbewijzen

  1. Het is verboden op of aan een openbare plaats een plaatsbewijs voor een voetbalwedstrijd te koop aan te bieden of ten verkoop voorhanden te hebben anders dan in of vanuit de daarvoor bestemde ruimten, behorende bij het stadion.

  2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:27

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • bezoeker: een ieder die zich in een openbare inrichting bevindt met uitzondering van en voor zover dit ter plaatse en ten genoegen van een toezichthouder onmiddellijk aannemelijk is gemaakt:

  • de persoon die als personeelslid doende is met werkzaamheden – voorbereidende en opruimwerkzaamheden daaronder mede begrepen –, die verbouwingswerkzaamheden verricht of wiens aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;

  • de persoon van wie aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;

  • de persoon die voorkomt in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;

  • leidinggevende:

  • de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend;

  • de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen;

  • de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting.

  • openbare inrichting:

  • elke voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies worden verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid, dan wel gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken, met inbegrip van een terras;

  • onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, café, waterpijpcafé, pension, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, afhaalzaak of clubhuis’;

  • terras: een buiten de besloten ruimte van een openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken en spijzen voor directe consumptie kunnen worden verstrekt.

Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Onverminderd artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

  3. de aanvrager geen dan wel een afwijzende beschikking verklaring omtrent het gedrag (VOG) met betrekking tot de leidinggevende(n) overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven;

  4. de leidinggevende(n) de leeftijd van18 jaar niet heeft bereikt;

  5. de leidinggevende(n) onder curatele staat;

  6. de leidinggevende(n) in enigerlei mate van slecht levensgedrag is, of

  7. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke situatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

  8. Het verbod geldt niet:

  9. voor een openbare inrichting waarvoor een vergunning is vereist op grond van artikel 3 van de Alcoholwet, of

  10. voor:

    • een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de horeca-activiteit niet een zelfstandige stroom bezoekers genereert;

    • een zorginstelling;

    • een museum of gildehuis;

    • een bioscoop of theater;

    • een sportvereniging, sportschool of dansschool, behalve als daar ook openbare dansavonden georganiseerd worden;

    • een biljart/snookercentrum of bowlingcentrum;

    • vrijetijdsaccommodaties met uitzondering van verenigingsgebouwen;

    • studieverenigingen binnen het TUE-terrein.

    • Standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17, tenzij het gaat om standplaatsen die er langer staan dan 68 dagen.

  11. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. Dit aanhangsel maakt onlosmakelijk deel uit van de vergunning.

  12. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ten aanzien van openbare inrichtingen als bedoeld in lid 3.

  13. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

  1. Het is verboden een openbare inrichting geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven tussen 02:00 uur en 08:00 uur.

  2. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar het verbod uit het eerste lid niet geldt.

  3. Het verbod uit het eerste lid geldt voor andere gebieden dan aangewezen in het tweede lid niet:

  4. op nieuwjaarsdag, mits de openbare inrichting op dat moment niet gesloten hoeft te zijn op grond van de Omgevingswet, de Opiumwet, de Gemeentewet of artikel 2:40a.

  5. tussen 06.00 uur en 08.00 uur in verband met het serveren van een alcoholvrij ontbijt.

  6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

    5. De burgemeester kan bepalen dat een inrichting, al dan niet tijdelijk, tussen 02.00 uur en 06.00 uur voor publiek gesloten dient te zijn in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en leefmilieu.

  7. Het verbod geldt niet voor openbare inrichtingen die zijn genoemd in artikel 2:28 lid 3 onder b. Voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 2:28, derde lid onder b eerste gedachtestreepje gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  8. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin is voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  9. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30

Aanwezigheid leidinggevende

  1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben indien in de inrichting niet aanwezig is een op de vergunning of aanhangsel vermelde leidinggevende.

  2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de vergunning ter plaatse aanwezig is.

  3. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester dat een persoon als leidinggevende dient te worden bijgeschreven op de vergunning alsmede als deze uit de vergunning moet worden geschrapt. De melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel behorende bij de vergunning.

  4. De burgmeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.

    5. In afwijking van het eerste lid is het een paracommerciële rechtspersoon verboden een openbare inrichting geopend te houden, indien niet in de inrichting aanwezig is:

    a. een op de vergunning of aanhangsel vermelde leidinggevende; of

    b. een vrijwilliger mits aan de eisen van het zes lid wordt voldaan.

    6. Het bestuur van een paracommerciële rechtspersoon houdt een registratie bij van vrijwilligers. In ieder geval worden de voorletters, achternaam en de leeftijd vermeld. Een vrijwilliger dient de minimale leeftijd van 18 jaar te hebben. De registratie of een afschrift daarvan is in de inrichting aanwezig.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

  1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. Het is verboden bij de exploitatie van een openbare inrichting toe te staan dat een handelaar, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Burgemeester en wethouders als bevoegd bestuursorgaan

[gereserveerd]

Artikel 2:34

Beslistermijn

  1. In afwijking van artikel 1:2 beslist het bevoegde bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 2:34a

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • alcoholhoudende drank,

  • horecalokaliteit,

  • paracommerciële rechtspersoon,

dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:34b

Prijsacties horeca

Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die, voor een periode van 24 uur of korter, lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 2:34c

Indeling paracommerciële rechtspersonen

Paracommerciële rechtspersonen worden onderverdeeld naar aard, te weten:

  1. paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve of recreatieve aard;

  2. paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-culturele aard;

  3. paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard;

  4. paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-educatieve aard, waaronder mede worden verstaan studentenverenigingen en studieverenigingen.

Artikel 2:34d

Schenktijden

  1. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcohol op maandagen tot en met zondagen van 12.00 uur tot 24.00 uur, tijdens activiteiten of bijeenkomsten die passen binnen de statutaire doelstelling van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon en met inachtneming van het in de artikelen 2:34e tot en met 2:34i gestelde.

  2. Dit geldt niet voor de paracommerciële rechtspersonen bedoeld in artikel 2:34c onder e.

  3. De burgemeester kan een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:34c ontheffing verlenen.

Artikel 2:34e

Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van sportieve en recreatieve aard

  1. Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve of recreatieve aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  2. Het is deze paracommerciële rechtspersonen voor ten hoogste twaalf al dan niet aaneengesloten dagen per jaar toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten voor leden of personen die rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken die de schenktijden overschrijden.

  3. De bijeenkomsten bedoeld in het tweede lid worden uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester gemeld.

Artikel 2:34f

Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van sociaal-culturele aard

  1. Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-culturele aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken anders dan tijdens bijeenkomsten met een sociaal-cultureel karakter.

  2. Het is deze rechtspersonen voor ten hoogste zes al dan niet aaneengesloten dagen per jaar toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de schenktijden en buiten deze bijeenkomsten.

  3. De bijeenkomsten zonder een sociaal-cultureel karakter worden uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester gemeld.

Artikel 2:34g

Proeverijen in slijtlokaliteiten

  1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.

  2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Artikel 2:34h

Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard

  1. Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken anders dan tijdens bijeenkomsten met een levensbeschouwelijk of godsdienstig karakter.

  2. Het is deze rechtspersonen voor ten hoogste zes al dan niet aaneengesloten dagen per jaar toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de schenktijden en buiten deze bijeenkomsten.

  3. De bijeenkomsten niet van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard worden uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester gemeld.

Artikel 2:34i

Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van sociaal-educatieve aard

Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-educatieve aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken anders dan tijdens bijeenkomsten met een sociaal-educatief karakter gericht op studenten in het bezit van een geldige studentenkaart/-pas en oud-leden in het bezit van een toegangsbewijs dan wel op uitnodiging van de vereniging.

Artikel 2:34j

Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van verzorgende aard (vervallen)

Artikel 2:35

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, geeft daarvan binnen drie dagen schriftelijk kennis aan de burgemeester.

Artikel 2:38

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:39

Speelgelegenheden

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

  2. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  3. Het verbod is niet van toepassing op:

  4. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend;

  5. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en

  6. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

  7. De burgemeester weigert de vergunning als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid.

  8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40a

Bevel tijdelijke sluiting of sluitingstijden of maatregelen treffen

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer:

  2. openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27,

  3. inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf als bedoeld in artikel 2:35,

  4. speelgelegenheden als bedoeld in artikel 2:39,

  5. seksinrichtingen als bedoeld in artikel 3.1.1 en

  6. andere, voor het publiek openstaande ruimten of gebouwen of daarbij behorende erven, tijdelijke sluiting bevelen of bevelen dat daar tijdelijk bepaalde sluitingsuren gelden of dat daar te zijner beoordeling ter bescherming van die belangen of in verband met die bijzondere omstandigheden genoegzame maatregelen worden getroffen.

  7. De burgemeester heeft de in het eerste lid genoemde bevoegdheden bij seksinrichtingen ook om strijd met de bepalingen van hoofdstuk 3 tegen te gaan.

  8. De burgemeester kan in het bevel bepalen dat dit niet geldt voor een of meer personen of categorieën van personen. Hij kan hieraan voorschriften of beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee hij het bevel geeft.

  9. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bevel.

  10. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  11. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd voor zover een openbare inrichting, een inrichting tot het verschaffen van nachtverblijf, speelgelegenheid, seksinrichting of voor het publiek openstaande ruimte geen voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet.

  12. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet voorziet in het daarin geregelde onderwerp, of voor zover het woonruimte betreft die als zodanig in gebruik is.

  13. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:41

Verbod op aanwezigheid en betreding

  1. Het is verboden zich te bevinden in

  2. een openbare inrichting;

  3. een inrichting tot het verschaffen van nachtverblijf;

  4. een speelgelegenheid;

  5. een seksinrichting;

  6. een andere voor het publiek openstaande ruimte, of

  7. een ander voor het publiek openstaand gebouw of op een daarbij behorend erf, gedurende de tijd dat dit is gesloten op grond van een bevel krachtens artikel 2:40a of krachtens artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet.

  8. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  9. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  10. De genoemde verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning, het lokaal of op het erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

  11. De burgemeester is bevoegd van genoemde verboden ontheffing te verlenen.

  12. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

  3. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

  4. met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  5. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  6. Burgemeester en wethouders kunnen aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  7. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  8. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  9. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een toezichthouder op eerste vordering onmiddellijk ter inzage af te geven.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns, rooftassen of enig ander voorwerp dat of enige stof die ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw, voertuig of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op degene die ter plaatse en ten genoegen van een toezichthouder aannemelijk maakt dat genoemde voorwerpen of stoffen bestemd zijn of gebruikt worden voor andere handelingen dan die in het eerste lid zijn genoemd.

Artikel 2:45

Betreden van plantsoenen en dergelijke

1. Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden.

2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.’

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

  2. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

  3. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers, of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen of aan de rechthebbende van een winkelbedrijf of openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27, onnodig overlast of hinder berokkent.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik

  1. Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke of drinkgerei van welke aard dan ook met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken.

  2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke of drinkgerei van welke aard dan ook met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  3. Het verbod is niet van toepassing op:

  4. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en

  5. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

    4. Het is verboden om in perioden en gebieden die door de burgemeester zijn aangewezen, bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse, dan wel deze dranken te verstrekken in strijd met de beperkingen die de burgemeester aan de verstrekking heeft verbonden.

Artikel 2.48a

Verbod op (gevaarlijk) drinkgerei en verpakkingen

  1. De houder van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van zijn inrichting geen drinkgerei van glas, verpakkingen bestemd voor drank van glas buiten de inrichting en het daarbij behorende terras brengen.

  2. Het is verboden op de weg of een andere door de burgemeester aangewezen openbare plaats, binnen een door de burgemeester vastgestelde periode, drinkgerei of verpakkingen van glas, blik of voor eenmalig gebruik bestemd (wegwerp)plastic, kennelijk bestemd voor het bewaren van dranken, bij zich te hebben of met zich mee te voeren.

  3. Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen gebied en gedurende een door de burgemeester vastgestelde periode dranken te verstrekken in drinkgerei of verpakkingen van glas, blik of voor eenmalig gebruik bestemd (wegwerp)plastic, vanuit:

    a. een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27;

    b. een plaats waarvoor een ontheffing geldt op grond van artikel 35 van de Alcoholwet;

    c. winkels, warenhuizen en andere locaties en ruimten als bedoeld in artikel 18, tweede lid, en/of artikel 19, tweede lid, onder a, van de Alcoholwet;

    d. een locatie waarvoor een standplaatsvergunning is verleend.

  4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot dit artikel, waaronder regels over herbruikbare statiegeldbekers.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de verboden in dit artikel. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:48c

Glas-, blik- of (wegwerp)plastic verbod op wegen (vervallen)

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden zonder redelijk doel:

  2. zich in een portiek of poort op te houden;

  3. zich in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen;

  4. zich bij een geldautomaat op te houden.

  5. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

  6. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een gebouw verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een daartoe toegang gevende publiek toegankelijke brandgang of soortgelijke steeg.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

  1. Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, of deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd.

  2. Onder deze ruimte wordt in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a

Vechten

  1. Het is verboden op een openbare plaats te vechten.

  2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of 426bis van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:

  1. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of

  2. daardoor die ingang wordt versperd.

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op door burgemeester en wethouders of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:52a

Hinder door bromfietsen e.d.

Het is verboden buiteneen locatie waarop milieubelastende activiteiten worden verricht als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet en die zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving en/of waarop de afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing is, zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder ontstaat.

Artikel 2:52b

Taxidiensten

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, locaties of gebieden aanwijzen waar het verboden is om taxidiensten, dan wel door hem te bepalen categorieën van taxidiensten aan te bieden op openbare, in de openlucht gelegen plaatsen of in openbaar toegankelijke gebouwen.

  2. Het is verboden om taxidiensten aan te bieden in een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen locatie of gebied.

  3. Het is verboden op Eindhoven Airport Taxidiensten te verrichten en aan te bieden buiten de voor taxidiensten bestemde rijbanen en opstelplaatsen alsmede in het openbaar toegankelijke luchthavengebouw.

  4. Een ambtenaar van politie kan voor handhaving van een verbod het bevel geven zich onmiddellijk in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2:52c

Aanbieden van deelvoertuigen op of aan de weg of het openbaar water

  1. Het is verboden zonder concessieovereenkomst van de gemeente Eindhoven deelvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1:1, die op of aan de weg staan ter gebruik aan derden aan te bieden.

  2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen voor het experimenteren met vormen van deelvervoer. Een experiment is een tijdelijke proef met een maximale tijdsduur van één jaar. Indien een experiment als vast onderdeel van de APV of andere verordening kan worden opgenomen doen Burgemeester en wethouders daartoe een voorstel aan de gemeenteraad. Burgemeester en wethouders informeren de gemeenteraad over het aangaan van een experiment.

Artikel 2:53

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

Artikel 2:57

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond of degene aan wie de zorg een hond kennelijk is toevertrouwd, verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

  2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats;

  3. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats indien de hond fysiek niet is aangelijnd;

  4. buiten de bebouwde kom op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats indien de hond niet fysiek is aangelijnd;

  5. op de weg als die hond niet is voorzien van enig identificatiemiddel, waaronder in ieder geval wordt verstaan een chip als bedoeld in artikel 5 van het Besluit identificatie en registratie van dieren.

  6. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.

  7. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

  8. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is; of

  9. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Deze verplichting is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. Degene die met een hond op een openbare plaats is, is verplicht een zakje of schepje bij zich te hebben dat geschikt is voor de verwijdering van de uitwerpselen en dit op eerste vordering te laten zien aan de toezichthouder.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

  1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. Het is verboden te handelen in strijd met een door de burgemeester opgelegd gebod en de daaraan verbonden voorschriften.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

  4. is vervaardigd van stevige kunststof, van stevig leer of van andere daartoe deugdelijke stoffen;

  5. door middel van een stevige riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en

  6. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  7. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, is de hond voorzien van een chip als bedoeld in artikel 5 van het Besluit identificatie en registratie van dieren.

  8. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen ten aanzien van het opleggen van maatregelen inzake bijtincidenten met gevaarlijke honden.

Artikel 2:59a

Gevaarlijke honden op eigen terrein

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

  3. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

  4. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

  5. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:60

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door burgemeester en wethouders ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een locatie waarop milieubelastende activiteiten worden verricht als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet en die zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving en/of waarop de afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing is, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

  2. aanwezig te hebben;

  3. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door burgemeester en wethouders in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

  4. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in dat aanwijzingsbesluit is aangegeven, of;

  5. te voeren.

  6. Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

  7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:64a

Hinder door dieren

Het is degene die buiten een locatie waarop milieubelastende activiteiten worden verricht als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet en die zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving en/of waarop de afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing is, de zorg heeft voor een dier, verboden dat dier voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder te laten veroorzaken.

Artikel 2:65

Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2:66

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • elektronica: foto-, film-, radio-, audio-, video-, computer-, telefoon-, communicatie-, zend-, navigatie- en kleine, soortgelijke elektronische apparatuur;

  • handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde fietsen, brom- en snorfietsen, auto’s, auto-onderdelen, antiek, sieraden, metalen en elektronica die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onmiddellijk op te nemen:

  1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

  2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

  3. een foto en een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover mogelijk – soort, merk en nummer van het goed;

  4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

  5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

a. de burgemeester binnen drie dagen door middel van registratie in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register in kennis te stellen:

1 º. dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt met vermelding van zijn woonadres, het adres van elke bij zijn onderneming behorende vestiging en de naam van de desbetreffende onderneming;

2 º. van een verandering van de onder 1 º bedoelde adressen of naam;

3 º dat hij van het opkopen niet langer een beroep of gewoonte maakt.

b. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop diens naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn.

c. indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de burgemeester.

d. zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:69

Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste acht dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen, tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Artikel 2:69a

Openbare fietsverkoop

  1. Het is verboden op of aan de weg fietsen of onderdelen van fietsen te koop aan te bieden, te verkopen of te kopen.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor bedrijfsmatige handel in fietsen.

  3. De burgemeester kan plaatsen en tijden aanwijzen waarop het verbod niet geldt.

Artikel 2:70

Handel in horecabedrijven

[verplaatst naar afdeling 9 (Exploitatie van openbare inrichtingen), artikel 2:32]

Artikel 2:71

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1. van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik;

  • fop- en schertsvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2:72

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

[gereserveerd]

Artikel 2:73

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden om tussen 31 december 18:00 uur en 1 januari 02:00 uur van het daaropvolgende jaar consumentenvuurwerk met uitzondering van fop- en schertsvuurwerk, tot ontbranding te brengen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:73a

Carbidschieten

  1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

Artikel 2:73b Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen

  1. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen of voorwerpen als bedoeld in artikel 2:73a te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 2:73a.

  4. Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

  5. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:74

Drugshandel op openbare plaatsen

  1. Het is verboden zich op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar of geneesmiddelen, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Opiumwet of de Geneesmiddelenwet.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:1a, 2:10, 2:11, 2:15, 2:19, 2:26, 2:26d t/m h, 2:31, 2:40, 2:41, 2:42, 2:47, 2:48, 2:48c, 2:49, 2:50, 2:50a, 2:52a, 2:73, 2:74, 2:74a, 2:78 en 5:34 groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan wijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur voor het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 2:78

Gebiedsontzeggingen

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die een strafbaar feit of openbare orde verstorende handeling verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een in het eerste lid genoemde persoon een verbod opleggen om:

  3. gedurende ten hoogste het lopende en komende uitgaansweekeinde (donderdagavond tot en met maandagmorgen) telkens tussen 22.00 uur en 07.00 uur of in de omgeving van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 en in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden, indien dat feit of die handeling verband houdt met veilig uitgaan;

  4. tot het einde van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 gedurende de tijden dat dit plaatsvindt, op of in de omgeving van het terrein of de terreinen waar dat evenement plaatsvindt op te houden, indien dat feit of die handeling verband houdt met dat evenement.

  5. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgeleg als bedoeld in het tweede lid en die binnen een jaar na een eerder tijdelijk verbod opnieuw een strafbaar feit of openbare orde verstorende handeling verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste vier weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  6. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie een tijdelijk verbod als bedoeld in het derde lid of in dit lid is gegeven en die binnen een jaar na het opleggen van dat verbod opnieuw een strafbaar feit of openbare orde verstorende handeling verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

    5. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste tot en met vierde lid opgelegd verbod.

  7. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste tot en met vierde lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.

  8. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

    8. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op.

  9. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:79

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen.

  3. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

Artikel 2:80

Exploitatieplicht: Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of deof de artikelen 2:28 of 3.2.1;

    b. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

  2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan alsmede ter voorkoming van ondermijning, bedrijfsmatige activiteiten, gebouwen, bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Bij een aanwijzingsbesluit (en bij een verlenging hiervan) wordt een maximale termijn van 5 jaar gehanteerd waarbij verlenging van deze termijn alleen aan de orde is als uit een evaluatie blijkt dat de aanwijzing nog nodig is.

  3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.

  4. De burgemeester kan in het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het tweede en derde lid bepalen dat er gedurende de openingstijden van de bedrijfsmatige activiteit een leidinggevende aanwezig is.

Artikel 2:80a

Aanvragen exploitatievergunning

  1. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier waarop de noodzakelijk door de aanvrager over te leggen gegevens zijn aangegeven. Dit formulier maakt onlosmakelijk deel uit van de vergunning.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    b. als de exploitant, beheerder of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    d. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    e. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer;

    f. Als niet wordt voldaan aan specifieke voorwaarden die zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit.

Artikel 2:80b Wijzigen exploitatievergunning

De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand, aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.

Artikel 2:80c

Intrekken, schorsen of wijzigen exploitatievergunning

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken, schorsen of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat:

    a. de exploitant, beheerder of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    b. de exploitant betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of

    f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

Artikel 2:80d

Sluiten van het pand

  1. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in artikel 2:80c van toepassing is, kan de burgemeester een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

  2. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf.

  3. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  4. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven.

  5. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:80e

Overige bepalingen

  1. In afwijking van artikel 2:80 derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.

  2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Eindhoven