1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Onverminderd artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

  3. de aanvrager geen dan wel een afwijzende beschikking verklaring omtrent het gedrag (VOG) met betrekking tot de leidinggevende(n) overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven;

  4. de leidinggevende(n) de leeftijd van18 jaar niet heeft bereikt;

  5. de leidinggevende(n) onder curatele staat;

  6. de leidinggevende(n) in enigerlei mate van slecht levensgedrag is, of

  7. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke situatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

  8. Het verbod geldt niet:

  9. voor een openbare inrichting waarvoor een vergunning is vereist op grond van artikel 3 van de Alcoholwet, of

  10. voor:

    • een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de horeca-activiteit niet een zelfstandige stroom bezoekers genereert;

    • een zorginstelling;

    • een museum of gildehuis;

    • een bioscoop of theater;

    • een sportvereniging, sportschool of dansschool, behalve als daar ook openbare dansavonden georganiseerd worden;

    • een biljart/snookercentrum of bowlingcentrum;

    • vrijetijdsaccommodaties met uitzondering van verenigingsgebouwen;

    • studieverenigingen binnen het TUE-terrein.

    • Standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17, tenzij het gaat om standplaatsen die er langer staan dan 68 dagen.

  11. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. Dit aanhangsel maakt onlosmakelijk deel uit van de vergunning.

  12. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ten aanzien van openbare inrichtingen als bedoeld in lid 3.

  13. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.