1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die een strafbaar feit of openbare orde verstorende handeling verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een in het eerste lid genoemde persoon een verbod opleggen om:

  3. gedurende ten hoogste het lopende en komende uitgaansweekeinde (donderdagavond tot en met maandagmorgen) telkens tussen 22.00 uur en 07.00 uur of in de omgeving van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 en in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden, indien dat feit of die handeling verband houdt met veilig uitgaan;

  4. tot het einde van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 gedurende de tijden dat dit plaatsvindt, op of in de omgeving van het terrein of de terreinen waar dat evenement plaatsvindt op te houden, indien dat feit of die handeling verband houdt met dat evenement.

  5. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgeleg als bedoeld in het tweede lid en die binnen een jaar na een eerder tijdelijk verbod opnieuw een strafbaar feit of openbare orde verstorende handeling verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste vier weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  6. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie een tijdelijk verbod als bedoeld in het derde lid of in dit lid is gegeven en die binnen een jaar na het opleggen van dat verbod opnieuw een strafbaar feit of openbare orde verstorende handeling verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

    5. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste tot en met vierde lid opgelegd verbod.

  7. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste tot en met vierde lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.

  8. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

    8. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op.

  9. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.