1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer:

  2. openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27,

  3. inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf als bedoeld in artikel 2:35,

  4. speelgelegenheden als bedoeld in artikel 2:39,

  5. seksinrichtingen als bedoeld in artikel 3.1.1 en

  6. andere, voor het publiek openstaande ruimten of gebouwen of daarbij behorende erven, tijdelijke sluiting bevelen of bevelen dat daar tijdelijk bepaalde sluitingsuren gelden of dat daar te zijner beoordeling ter bescherming van die belangen of in verband met die bijzondere omstandigheden genoegzame maatregelen worden getroffen.

  7. De burgemeester heeft de in het eerste lid genoemde bevoegdheden bij seksinrichtingen ook om strijd met de bepalingen van hoofdstuk 3 tegen te gaan.

  8. De burgemeester kan in het bevel bepalen dat dit niet geldt voor een of meer personen of categorieën van personen. Hij kan hieraan voorschriften of beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee hij het bevel geeft.

  9. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bevel.

  10. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  11. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd voor zover een openbare inrichting, een inrichting tot het verschaffen van nachtverblijf, speelgelegenheid, seksinrichting of voor het publiek openstaande ruimte geen voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet.

  12. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet voorziet in het daarin geregelde onderwerp, of voor zover het woonruimte betreft die als zodanig in gebruik is.

  13. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.