1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Geen vergunning is vereist voor de door burgemeester en wethouders aan te wijzen categorieën en gevallen onder de door hen te stellen voorwaarden.

  3. Behalve op de gronden genoemd in artikel 1:8, kan de vergunning worden geweigerd:

  4. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, of een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

  5. als het beoogde gebruik op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

  6. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  7. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid, de woon- en leefomgeving of de bescherming van het milieu nadere regels stellen ten aanzien van laadpalen, terrassen, uitstallingen en reclameborden.

  8. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam uitvoering wordt gegeven aan een publieke taak.

  9. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.