-
De essentiële entiteit of belangrijke entiteit neemt passende en evenredige technische, operationele en organisatorische maatregelen om de risico’s voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen, die zij voor haar werkzaamheden of voor het verlenen van haar diensten gebruikt, te beheersen. Ook neemt zij deze maatregelen om incidenten te voorkomen of de gevolgen van incidenten voor de afnemers van haar diensten en voor andere diensten te beperken.
-
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zorgen voor een beveiligingsniveau van de netwerk- en informatiesystemen dat is afgestemd op de risico’s, bedoeld in het eerste lid. Bij het nemen van de maatregelen houdt de entiteit in ieder geval rekening met de stand van de techniek, de uitvoeringskosten en, indien van toepassing, de desbetreffende Europese en internationale normen. Ten aanzien van de evenredigheid van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, houdt de entiteit naar behoren rekening met de mate waarin zij aan risico’s is blootgesteld, de omvang van de entiteit en de kans dat zich incidenten voordoen en de ernst ervan, met inbegrip van de maatschappelijke en economische gevolgen.
-
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn gebaseerd op een benadering die alle gevaren omvat en tot doel heeft netwerk- en informatiesystemen en de fysieke omgeving van die systemen tegen incidenten te beschermen, en omvatten ten minste het volgende:
beleid inzake risicoanalyse en beveiliging van informatiesystemen;
incidentenbehandeling;
bedrijfscontinuïteit, zoals back-upbeheer en herstelplannen, en crisisbeheer;
de beveiliging van de toeleveringsketen, met inbegrip van beveiligingsgerelateerde aspecten met betrekking tot de relaties tussen de entiteit en haar rechtstreekse leveranciers of dienstverleners;
beveiliging bij het verwerven, ontwikkelen en onderhouden van netwerk- en informatiesystemen, met inbegrip van de respons op en bekendmaking van kwetsbaarheden;
beleid en procedures om de effectiviteit van maatregelen voor het beheersen van cyberbeveiligingsrisico’s te beoordelen;
basispraktijken op het gebied van cyberhygiëne en opleiding op het gebied van cyberbeveiliging;
beleid en procedures inzake het gebruik van cryptografie en, in voorkomend geval, encryptie;
beveiligingsaspecten ten aanzien van personeel, toegangsbeleid en beheer van assets; en
wanneer gepast, het gebruik van multifactor-authenticatie- of continue-authenticatieoplossingen, beveiligde spraak-, video- en tekstcommunicatie en beveiligde noodcommunicatiesystemen binnen de entiteit.
-
Wanneer de entiteit overweegt welke maatregelen als bedoeld in het derde lid, onderdeel d, passend zijn, houdt zij rekening met:
de specifieke kwetsbaarheden van elke rechtstreekse leverancier en dienstverlener;
de algemene kwaliteit van de producten en de cyberbeveiligingspraktijken van haar leveranciers en dienstverleners, met inbegrip van hun veilige ontwikkelingsprocedures; en
de resultaten van de door de samenwerkingsgroep op grond van artikel 22, eerste lid, van de NIS2-richtlijn uitgevoerde gecoördineerde beveiligingsrisicobeoordelingen van kritieke toeleveringsketens.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, en kunnen met betrekking tot die maatregelen eisen worden gesteld aan entiteiten, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen sectoren, subsectoren, soorten entiteiten en entiteiten.
-
De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Cyberbeveiligingswet Actueel
Inhoud
Hoofdstuk 7
Artikel 21a
-
Indien dat naar het oordeel van Onze Minister die het aangaat, ter uitwerking van artikel 21, noodzakelijk is om risico’s voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen die de nationale veiligheid raken te beheersen of om incidenten die de nationale veiligheid raken te voorkomen, legt hij in overeenstemming met Onze Minister een essentiële entiteit of een belangrijke entiteit de verplichting op om in de daarbij aangewezen onderdelen van haar netwerk- en informatiesystemen uitsluitend gebruik te maken van producten of diensten van anderen dan de daarbij door Onze Minister die het aangaat genoemde partij die:
een staat, entiteit of persoon is waarvan bekend is of waarvoor gronden zijn te vermoeden dat deze de intentie heeft om de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen van de essentiële entiteit of belangrijke entiteit aan te tasten of om incidenten bij de essentiële entiteit of belangrijke entiteit te veroorzaken; of
nauwe banden heeft met of onder invloed staat van een staat, entiteit of persoon als bedoeld in onderdeel a, of een entiteit of persoon is ten aanzien van wie er gronden zijn om dergelijke banden of invloed te vermoeden.
-
In het kader van de beoordeling van de noodzaak, bedoeld in het eerste lid, beoordeelt Onze Minister die het aangaat in elk geval of beheersmaatregelen mogelijk en realiseerbaar zijn die de nationale veiligheidsrisico’s die in het geding zijn voldoende beschermen.
-
Indien de verplichting, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op reeds in gebruik zijnde producten en diensten ten behoeve van de daarbij aangewezen onderdelen, stelt Onze Minister die het aangaat in het belang van de continuïteit van de dienstverlening een termijn vast voor het vervangen respectievelijk beëindigen van de betreffende producten en diensten.
-
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van essentiële entiteiten en belangrijke entiteiten die aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten zijn.
Artikel 22
-
Indien sectorspecifieke rechtshandelingen van de Europese Unie voorschrijven dat een essentiële entiteit of belangrijke entiteit risicobeheersmaatregelen op het gebied van cyberbeveiliging neemt en indien deze verplichtingen ten minste gelijkwaardig zijn aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 21, is artikel 21 niet van toepassing op die entiteit.
-
De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden geacht gelijkwaardig te zijn aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 21, wanneer de door sectorspecifieke rechtshandelingen van de Europese Unie voorgeschreven risicobeheersmaatregelen op het gebied van cyberbeveiliging ten minste een vergelijkbare uitwerking hebben als de verplichtingen, bedoeld in artikel 21.
Artikel 23
-
Onze Minister die het aangaat kan bij regeling of besluit, in overeenstemming met Onze Minister, een essentiële entiteit respectievelijk een belangrijke entiteit die activiteiten uitvoert op het gebied van nationale veiligheid, openbare veiligheid, defensie of rechtshandhaving of die uitsluitend diensten verleent aan een overheidsinstantie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, met betrekking tot die activiteiten of diensten ontheffen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 21.
-
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer en voor zover een entiteit optreedt als verlener van vertrouwensdiensten die niet uitsluitend worden gebruikt binnen systemen die gesloten zijn als gevolg van een wettelijke regeling of een overeenkomst tussen een bepaalde groep deelnemers.
Artikel 24
-
De maatregelen, bedoeld in artikel 21, behoeven de goedkeuring van het bestuur van de essentiële entiteit of belangrijke entiteit.
-
Ieder lid van het bestuur van een essentiële entiteit of belangrijke entiteit beschikt over kennis en vaardigheden om:
risico’s voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen te kunnen identificeren;
risicobeheersmaatregelen op het gebied van cyberbeveiliging te kunnen beoordelen; en
de gevolgen van de risico’s en risicobeheersmaatregelen voor de diensten die door de entiteit worden verleend te kunnen beoordelen.
-
Ieder lid van het bestuur van een essentiële entiteit of belangrijke entiteit voldoet binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het tweede lid aan het bepaalde in het tweede lid. Indien een lid na de inwerkingtreding van het tweede lid wordt benoemd, voldoet dit lid binnen twee jaar na diens benoeming aan het bepaalde in het tweede lid.
-
Ieder lid van het bestuur van een essentiële entiteit of belangrijke entiteit houdt de kennis en vaardigheden, bedoeld in het tweede lid, aantoonbaar actueel.
-
Met het oog op het aantonen van de kennis en vaardigheden bezit ieder lid van het bestuur van een essentiële entiteit of belangrijke entiteit een certificaat, waaruit de deelname blijkt aan een training die de onderwerpen, bedoeld in het tweede lid, behandelt.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de training en het certificaat, bedoeld in het vijfde lid, waaronder de duur en het niveau van de training.
-
Indien een rechtspersoon het bestuur of een lid van het bestuur van een essentiële entiteit of belangrijke entiteit is, is het bepaalde bij of krachtens het tweede tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing op de natuurlijke persoon of natuurlijke personen die namens die rechtspersoon zitting heeft of hebben in het bestuur van de essentiële entiteit of belangrijke entiteit.
-
Indien de essentiële entiteit of belangrijke entiteit toepassing heeft gegeven aan de artikelen 129a of 239a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met zesde lid uitsluitend van toepassing op de uitvoerende bestuurders van die essentiële entiteit of belangrijke entiteit.
-
Indien de essentiële entiteit of belangrijke entiteit een maatschap is, is het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing op iedere maat van die maatschap.
-
Indien de essentiële entiteit of belangrijke entiteit een vennootschap onder firma is, is het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing op iedere vennoot van die vennootschap onder firma.
-
Indien de essentiële entiteit of belangrijke entiteit een commanditaire vennootschap is, is het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing op de beherende vennoten van die commanditaire vennootschap.
-
Indien de essentiële entiteit een overheidsinstantie is, wordt voor de toepassing van dit artikel als het bestuur aangemerkt:
bij ministeries: de minister;
bij zelfstandige bestuursorganen van de centrale overheid: het zelfstandige bestuursorgaan;
bij provincies: gedeputeerde staten;
bij gemeenten: het college van burgemeester en wethouders;
bij waterschappen: het dagelijks bestuur;
bij gemeenschappelijke regelingen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan.
-
Dit artikel is niet van toepassing op een essentiële entiteit of belangrijke entiteit indien artikel 21 niet van toepassing is op die entiteit.