De volgende entiteiten zijn belangrijke entiteiten:
entiteiten, genoemd in bijlage 1 van deze wet, niet zijnde een essentiële entiteit, die in aanmerking komen als middelgrote onderneming uit hoofde van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling 2003/361/EG;
entiteiten, genoemd in bijlage 2 van deze wet, niet zijnde een essentiële entiteit, die in aanmerking komen als middelgrote onderneming uit hoofde van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling 2003/361/EG of de in het eerste lid van laatstgenoemd artikel vastgestelde drempels voor middelgrote ondernemingen overschrijden;
aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken, genoemd in bijlage 1 van deze wet, die in aanmerking komen als kleine of micro-onderneming uit hoofde van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling 2003/361/EG, niet zijnde een essentiële entiteit;
aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten, genoemd in bijlage 1 van deze wet, die in aanmerking komen als kleine of micro-onderneming uit hoofde van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling 2003/361/EG, niet zijnde een essentiële entiteit;
verleners van vertrouwensdiensten, genoemd in bijlage 1 van deze wet, die in aanmerking komen als kleine of micro-onderneming uit hoofde van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling 2003/361/EG, niet zijnde een essentiële entiteit.
Ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid is artikel 3, vierde lid, van de bijlage bij de Aanbeveling 2003/361/EG niet van toepassing.
Bij regeling of besluit van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, na overleg met Onze Minister, kan een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek als belangrijke entiteit worden aangewezen.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap trekt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, in, indien er voor die aanwijzing geen grond meer aanwezig is.