Cyberbeveiligingswet Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 15

Handhaving

Artikel 68

  1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie, zijn belast: de bij besluit van de bevoegde autoriteit aangewezen ambtenaren.

  2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn tevens belast met het verlenen van bijstand als bedoeld in artikel 60 aan een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie.

  3. Ten behoeve van het verlenen van de bijstand, bedoeld in het tweede lid, kunnen de toezichthouders hun toezichthoudende bevoegdheden toepassen.

  4. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 69

Onverminderd artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht houdt de bevoegde autoriteit bij de toepassing van de artikelen 70, 72, eerste lid, onderdeel c, 73 tot en met 78, 80, 83, eerste lid, onderdeel c, 84 tot en met 87 en 89 tot en met 93 rekening met de omstandigheden van elk afzonderlijk geval, alsmede:

  1. de ernst van de overtreding en het belang van de geschonden bepalingen, waarbij onder meer het volgende in ieder geval een ernstige overtreding vormt:

    1. herhaalde overtredingen;

    2. het niet melden of niet verhelpen van significante incidenten;

    3. het niet verhelpen van tekortkomingen naar aanleiding van bindende aanwijzingen van de bevoegde autoriteit;

    4. het belemmeren van audits of monitoringsactiviteiten waartoe de bevoegde autoriteit opdracht heeft gegeven naar aanleiding van de vaststelling van een overtreding;

    5. het verstrekken van valse of zeer onnauwkeurige informatie met betrekking tot de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 21 en 25 tot en met 30;

  2. de duur van de overtreding;

  3. eventuele relevante eerdere overtredingen door de betrokken entiteit;

  4. elke veroorzaakte materiële of immateriële schade, met inbegrip van elke financiële of economische schade, effecten op andere diensten en het aantal getroffen gebruikers;

  5. opzet of nalatigheid van de overtreder;

  6. door de entiteit genomen maatregelen om de materiële of immateriële schade te voorkomen of te beperken;

  7. de naleving van goedgekeurde gedragscodes of goedgekeurde certificeringsmechanismen; en

  8. de mate waarin de overtreder meewerkt met de bevoegde autoriteiten.

Artikel 70

  1. De bevoegde autoriteit kan voor een bepaalde periode een controlefunctionaris aanwijzen bij een essentiële entiteit.

  2. De controlefunctionaris is een onafhankelijke deskundige zijnde een natuurlijk persoon en heeft tot taak:

    1. het monitoren van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 21 en 25 tot en met 30 en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie, door de betrokken essentiële entiteit; en

    2. het informeren van de bevoegde autoriteit en het bestuur van de betrokken essentiële entiteit over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 21 en 25 tot en met 30 en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie, door de betrokken essentiële entiteit.

  3. De essentiële entiteit draagt de kosten van de controlefunctionaris.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in het eerste en tweede lid, waaronder de vereisten die gelden voor de aanwijzing van de controlefunctionaris.

Artikel 71

  1. De bevoegde autoriteit kan een beveiligingsscan op basis van objectieve, niet-discriminerende, eerlijke en transparante risicobeoordelingscriteria uitvoeren of door een onafhankelijke en gekwalificeerde deskundige laten uitvoeren bij een essentiële entiteit.

  2. De bevoegde autoriteit draagt de kosten van de beveiligingsscan.

Artikel 72

  1. De bevoegde autoriteit kan een essentiële entiteit verplichten om:

    1. een onafhankelijke en gekwalificeerde deskundige te laten onderzoeken of de entiteit voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie;

    2. de resultaten van dat onderzoek binnen een bij het besluit gestelde redelijke termijn te verstrekken aan de bevoegde autoriteit; of

    3. de aanbevelingen naar aanleiding van het onderzoek binnen een redelijke termijn uit te voeren.

  2. Het onderzoek is gebaseerd op de door de bevoegde autoriteit of de betrokken essentiële entiteit verrichte risicobeoordelingen of op andere beschikbare risicogerelateerde informatie.

  3. Het onderzoek wordt uitgevoerd op een door de bevoegde autoriteit voorgeschreven wijze.

  4. De essentiële entiteit draagt de kosten van het onderzoek, tenzij de kosten naar het oordeel van de bevoegde autoriteit redelijkerwijs moeten worden gedragen door de bevoegde autoriteit.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste tot en met derde lid.

Artikel 73

De bevoegde autoriteit kan een essentiële entiteit verplichten om onderdelen van een door de entiteit begane overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie, openbaar te maken, op een door de bevoegde autoriteit bepaalde wijze.

Artikel 74

De bevoegde autoriteit kan een essentiële entiteit een bindende aanwijzing geven om binnen een daarbij gestelde redelijke termijn de daarin omschreven handelingen te verrichten of de daarin omschreven maatregelen te nemen ter naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 75

De bevoegde autoriteit is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang aan een essentiële entiteit ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 76

  1. De bevoegde autoriteit kan na een overtreding door een essentiële entiteit van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie, een einddatum bepalen waarop de entiteit de daarbij genoemde maatregelen moet hebben genomen om de overtreding te beëindigen of waarop de entiteit aan de daarbij nader omschreven eisen moet hebben voldaan ter beëindiging van de overtreding.

  2. De bevoegde autoriteit kan het besluit, bedoeld in het eerste lid, alleen nemen:

    1. nadat zij alle in het derde lid genoemde maatregelen heeft opgelegd aan de betrokken entiteit en deze maatregelen niet ertoe hebben geleid dat de overtreding is beëindigd; of

    2. nadat zij één of meer van de in het derde lid genoemde maatregelen heeft opgelegd aan de betrokken entiteit, de opgelegde maatregel of maatregelen niet ertoe hebben geleid dat de overtreding is beëindigd en het opleggen van de andere in het derde lid genoemde maatregel of maatregelen naar het oordeel van de bevoegde autoriteit niet ertoe zullen leiden dat de betrokken entiteit de overtreding beëindigt.

  3. De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, zijn:

    1. een waarschuwing van de bevoegde autoriteit aan de betrokken entiteit over een overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie;

    2. een verplichting van de bevoegde autoriteit aan de betrokken entiteit over de uitvoering van de aanbevelingen naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 72, eerste lid, onderdeel c;

    3. een aanwijzing als bedoeld in artikel 74;

    4. een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 75;

    5. een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 75 in samenhang met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 77

Indien de essentiële entiteit niet uiterlijk op de daarbij bepaalde einddatum heeft voldaan aan het besluit, bedoeld in artikel 76, kan de bevoegde autoriteit de instantie of organisatie die een certificering of vergunning heeft afgegeven verzoeken die certificering of vergunning tijdelijk op te schorten met betrekking tot alle of een deel van de relevante door de essentiële entiteit verleende diensten of verrichte activiteiten, zolang de entiteit niet voldoet aan het besluit.

Artikel 78

  1. Indien de essentiële entiteit niet uiterlijk op de daarbij bepaalde einddatum heeft voldaan aan het besluit, bedoeld in artikel 76, kan de bevoegde autoriteit de burgerlijke rechter van de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de vestigingsplaats van de bevoegde autoriteit is gelegen verzoeken om één of meer leden van het bestuur van de betrokken essentiële entiteit te schorsen, zolang de entiteit niet voldoet aan het besluit.

  2. De rechtbank regelt zo nodig alle overige gevolgen van de door haar uitgesproken schorsing.

  3. De griffier van de rechtbank, of in geval van hoger beroep, van het gerechtshof, biedt een afschrift van de onherroepelijke uitspraak waarin een schorsing is opgelegd met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel aan, die terstond de schorsing in het Handelsregister opneemt.

  4. Zodra is voldaan aan het besluit, bedoeld in artikel 76, verzoekt de bevoegde autoriteit de Kamer van Koophandel de opname van de schorsing uit het Handelsregister te verwijderen.

Artikel 79

De artikelen 76, 77 en 78 zijn niet van toepassing op overheidsinstanties.

Artikel 80

  1. De bevoegde autoriteit kan in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie, aan een essentiële entiteit een bestuurlijke boete opleggen:

    1. tezamen met of na het geven van een waarschuwing aan de betrokken entiteit over de overtreding; of

    2. tezamen met of na de toepassing van de artikelen 38, 70, 72, eerste lid, onderdeel c, 73, 74, 75, 76, 77 of 78.

  2. De bevoegde autoriteit kan tevens aan een essentiële entiteit een bestuurlijke boete opleggen in geval van overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  3. De boete bedraagt ten hoogste:

    1. in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 21, 21a en 25 tot en met 30 en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie: € 10.000.000,– of 2% van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar van de onderneming waartoe de essentiële entiteit behoort, indien het laatstbedoelde bedrag hoger is;

    2. in geval van een andere overtreding: € 1.000.000,–.

  4. De werking van het besluit tot oplegging van de boete wordt opgeschort totdat het besluit onherroepelijk is.

  5. Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot invordering van de boete.

  6. Artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing op de overtreding, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 81

De artikelen 82 tot en met 87 zijn alleen van toepassing voor zover de bevoegde autoriteit het bewijs, de aanwijzing of informatie heeft van een mogelijke overtreding door een belangrijke entiteit van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 82

  1. De bevoegde autoriteit kan een beveiligingsscan op basis van objectieve, niet-discriminerende, eerlijke en transparante risicobeoordelingscriteria uitvoeren of door een onafhankelijke deskundige laten uitvoeren bij een belangrijke entiteit.

  2. De bevoegde autoriteit draagt de kosten van de beveiligingsscan.

Artikel 83

  1. De bevoegde autoriteit kan een belangrijke entiteit verplichten om:

    1. een onafhankelijke en gekwalificeerde deskundige te laten onderzoeken of de entiteit voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie;

    2. de resultaten van dat onderzoek binnen een bij het besluit gestelde redelijke termijn te verstrekken aan de bevoegde autoriteit; of

    3. de aanbevelingen naar aanleiding van het onderzoek binnen een redelijke termijn uit te voeren.

  2. Het onderzoek is gebaseerd op de door de bevoegde autoriteit of de betrokken belangrijke entiteit verrichte risicobeoordelingen of op andere beschikbare risicogerelateerde informatie.

  3. Het onderzoek wordt uitgevoerd op een door de bevoegde autoriteit voorgeschreven wijze.

  4. De belangrijke entiteit draagt de kosten van het onderzoek, tenzij de kosten naar het oordeel van de bevoegde autoriteit redelijkerwijs moeten worden gedragen door de bevoegde autoriteit.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste tot en met derde lid.

Artikel 84

De bevoegde autoriteit kan een belangrijke entiteit verplichten om onderdelen van een door de entiteit begane overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie, openbaar te maken, op een door de bevoegde autoriteit bepaalde wijze.

Artikel 85

De bevoegde autoriteit kan een belangrijke entiteit een bindende aanwijzing geven om binnen een daarbij gestelde redelijke termijn de daarin omschreven handelingen te verrichten of de daarin omschreven maatregelen te nemen ter naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 86

De bevoegde autoriteit is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang aan een belangrijke entiteit ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 87

  1. De bevoegde autoriteit kan in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie, aan een belangrijke entiteit een bestuurlijke boete opleggen:

    1. tezamen met of na het geven van een waarschuwing aan de betrokken entiteit over de overtreding; of

    2. tezamen met of na de toepassing van de artikelen 38, 83, eerste lid, onderdeel c, 84, 85 of 86.

  2. De bevoegde autoriteit kan tevens aan een belangrijke entiteit een bestuurlijke boete opleggen in geval van overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  3. De boete bedraagt ten hoogste:

    1. in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 21, 21a en 25 tot en met 30 en het bepaalde in de op grond van de artikelen 21, vijfde lid, en 23, elfde lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen en de op grond van artikel 24, tweede lid, van de NIS2-richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie: € 7.000.000,– of 1,4% van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar van de onderneming waartoe de belangrijke entiteit behoort, indien het laatstbedoelde bedrag hoger is;

    2. in geval van een andere overtreding: € 1.000.000,–.

  4. De werking van het besluit tot oplegging van de boete wordt opgeschort totdat het besluit onherroepelijk is.

  5. Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot invordering van de boete.

  6. Artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing op de overtreding, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 88

De artikelen 89 tot en met 91 zijn alleen van toepassing op de entiteit die domeinnaamregistratiediensten verleent, indien zij op grond van deze wet niet tevens essentiële entiteit of belangrijke entiteit is.

Artikel 89

De bevoegde autoriteit kan een entiteit die domeinnaamregistratiediensten verleent, een bindende aanwijzing geven om binnen een daarbij gestelde redelijke termijn de daarin omschreven handelingen te verrichten ter naleving van de artikelen 42, 44, 47, 49 en 50, indien zij niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de hiervoor genoemde artikelen.

Artikel 90

De bevoegde autoriteit kan een entiteit die domeinnaamregistratiediensten verleent een last onder dwangsom opleggen in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 42, 44, 47, 49 en 50.

Artikel 91

  1. De bevoegde autoriteit kan een entiteit die domeinnaamregistratiediensten verleent een bestuurlijke boete opleggen in geval van:

    1. overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 42, 44, 47, 49 en 50;

    2. overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  2. De boete, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste € 1.000.000,–.

  3. De werking van het besluit tot oplegging van de boete wordt opgeschort totdat het besluit onherroepelijk is.

  4. Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot invordering van de boete.

  5. Artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing op de overtreding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 92

De bevoegde autoriteit kan een lid van het bestuur van een essentiële entiteit of belangrijke entiteit een last onder dwangsom opleggen in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 24, tweede tot en met zesde lid.

Artikel 93

  1. De bevoegde autoriteit kan een lid van het bestuur van een essentiële entiteit of belangrijke entiteit een bestuurlijke boete opleggen in geval van:

    1. overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 24, tweede tot en met zesde lid;

    2. overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  2. De boete, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste € 25.000,–.

  3. De werking van het besluit tot oplegging van de boete wordt opgeschort totdat het besluit onherroepelijk is.

  4. Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot invordering van de boete.

  5. Artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing op de overtreding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

← terug naar Cyberbeveiligingswet