Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Afdeling Voor publiek openstaande gebouwen
Afdeling Toezicht op speelautomatenhallen
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebruik lasers
Afdeling Omgevingsverboden
Afdeling Woonoverlast
Afdeling [vervallen]
Hoofdstuk Regulering prostitutie en seksbranche
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk Overgangs- en slotbepalingen

Afdeling

Artikel 5:2

Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

  1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden binnen een door het college aangewezen gebied of periode:

    1. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, of

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:

    1. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    2. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet langer dan een half uur vergen, gedurende die werkzaamheden;

    2. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig:

  1. waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, of

  2. dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig wettelijk verplicht kenteken,

langer dan op zeven achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5

Voertuigwrakken

  1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6

Caravans, aanhangwagens e.d.

  1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, camper, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, te parkeren:

    1. op door het college met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen wegen of weggedeelten, of

    2. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op door het college met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte aangewezen wegen of weggedeelten.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Artikel 5:7

Parkeren van reclamevoertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:8

Parkeren van grote voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren:

    1. op een door het college met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaats;

    2. op de weg bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op door het college met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte aangewezen wegen of weggedeelten.

  3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor een voertuig waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 5:21d.

  4. Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet gedurende het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

  5. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 8 uur tot 18 uur.

  6. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder a, en tweede lid gestelde verboden.

  7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:9

Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

[vervallen]

Artikel 5:10

Overlastgevend parkeren van voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan geluidshinder of stankoverlast ondervinden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 5:11

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  2. Het verbod geldt niet:

    1. op de paden;

    2. voor voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    3. voor voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:12

Overlastgevend stallen en hinderlijk parkeren van (brom)fietsen, fietswrakken

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen:

    1. onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan, of

    2. langer dan vier weken onbeheerd te laten staan.

  2. Het is verboden op of aan de weg fietsen of bromfietsen te parkeren:

    1. op zodanige wijze voor of tegen een gebouw, dat daardoor voor een bewoner of gebruiker van dat gebouw de toegang of het uitzicht wordt belemmerd;

    2. op zodanige wijze op een voetpad of trottoir, dat daardoor de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;

    3. op geleidelijnen die op de weg zijn aangebracht ten behoeve van visueel gehandicapten;

    4. op zodanige wijze dat daardoor het in- en uitstappen bij tram, bus taxi of gehandicaptenplaats gehinderd of belemmerd wordt;

    5. op zodanige wijze dat daardoor de functie van straatmeubilair gehinderd of belemmerd wordt;

    6. tegen monumenten of gedenktekens; of

    7. op een zodanige wijze dat daardoor de doorgang en opbouw op een markt wordt gehinderd of belemmerd.

  3. Het is verboden op of aan de weg een bromfiets of fiets te plaatsen of te hebben, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.

  4. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van ernstige overlast aangewezen wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen langer dan twee weken onbeheerd te laten staan.

Artikel 5:12a

Vergunning deelmobiliteit

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig voertuigen, met inbegrip van kleine wagens als bedoeld in artikel 5:1, voor gebruik door derden op de weg te plaatsen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen categorieën voertuigen.

  3. Het college verleent geen vergunning voor het plaatsen van voertuigen met een verbrandingsmotor.

  4. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen, schorsen of hieraan voorschriften of beperkingen verbinden, indien:

    1. het ter gebruik aanbieden van de voertuigen:

      1. gevaar oplevert voor de veiligheid van personen, goederen of de verkeersveiligheid;

      2. hinder of overlast veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat;

      3. een nadelige invloed heeft op het milieu;

      4. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; of

      5. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;

    2. in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    3. niet wordt voldaan aan het exploitatieplan;

    4. niet wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels of beleidsregels;

    5. structureel minder voertuigen worden geplaatst dan toegestaan op grond van de vergunning;

    6. de aanvrager verweven is met een andere onderneming die voor dezelfde periode en voor dezelfde voertuigen een vergunning heeft aangevraagd.

  5. Het college weigert de aanvraag voor een vergunning indien:

    1. de voertuigen waarvoor een vergunning is aangevraagd niet voldoen aan een bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde eis voor die betreffende voertuigen;

    2. de aanvrager op grond van de van toepassing zijnde verdelingsprocedure niet in aanmerking komt voor een vergunning;

    3. uit de statuten en het feitelijk handelen van de aanvrager blijkt dat de aanvrager het bedrijfsmatig aanbieden van voertuigen voor gebruik door derden niet als doelstelling heeft.

  6. Het college kan nadere regels stellen die zien op:

    1. het stellen van indieningsvereisten voor de aanvraag voor een vergunning;

    2. het vaststellen van een voertuigenplafond per categorie of type voertuigen;

    3. het tijdelijk kunnen afwijken van het voertuigenplafond zodat tijdelijk meer voertuigen door bestaande aanbieders kunnen worden geëxploiteerd;

    4. het stellen van voorwaarden waaronder een vergunning wordt verleend;

    5. de wijze van verdeling van de vergunningen alsmede de toetsingscriteria hiertoe;

    6. het vaststellen van een tijdvak waarbinnen een vergunningaanvraag kan worden ingediend;

    7. het vaststellen van categorieën van voertuigen of voertuigtypen welke in aanmerking komen voor een vergunning.

  7. In afwijking van artikel 1:7 verleent het college de vergunning voor de duur van vijf jaar, tenzij het college bij de vergunning anders bepaalt.

  8. Het college besluit op een aanvraag voor een vergunning binnen 16 weken na de dag van ontvangst ervan. Indien er sprake is van een tijdvak waarbinnen de vergunningaanvraag dient te zijn ingediend, besluit het college binnen 16 weken na het sluiten van die termijn. Het college kan de beslissing op een aanvraag voor ten hoogste 8 weken verdagen.

  9. Als voor het uitvoeren van openbare werken, in het kader van de openbare orde of veiligheid, in het geval van calamiteiten of evenementen of om enigerlei andere reden verwijdering van de voertuigen van een openbare plaats, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, noodzakelijk is, is vergunninghouder verplicht de deelvoertuigen binnen de door het bevoegde gezag gestelde termijn, te verwijderen en verwijderd te houden.

  10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012