Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Afdeling Voor publiek openstaande gebouwen
Afdeling Toezicht op speelautomatenhallen
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebruik lasers
Afdeling Omgevingsverboden
Afdeling Woonoverlast
Afdeling [vervallen]
Hoofdstuk Regulering prostitutie en seksbranche
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk Overgangs- en slotbepalingen

Afdeling

Venten

Artikel 5:14

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet of artikel 2:24, tweede lid, onderdelen a en d;

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15

Ventverbod

  1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  2. Het is verboden te venten op zondagen en maandag tot en met zaterdag tussen 21.00 uur en 09.00 uur.

  3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op nader door het college aan te wijzen wegen, dagen of uren. Bij de aanwijzing van wegen, dagen of uren kan het college bepalen dat het verbod niet dan wel uitsluitend geldt voor het venten van producten of diensten die vallen in door hem aangewezen productcategorieën of categorieën van diensten.

  4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:16

Vrijheid van meningsuiting

1.Het verbod, bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, geldt niet voor:

  1. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet;

  2. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

  3. het te koop aanbieden, afleveren of verkopen van goederen op een door het college ingestelde markt, op een evenement waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 2:25, of op een standplaats waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 5:18.

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:17

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  1. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet;

    2. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:25.

Artikel 5:18

Standplaatsen

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Een standplaatsvergunning wordt verleend voor de duur van vijf jaar.

  3. Een vergunning wordt alleen verleend aan natuurlijke personen.

  4. Per persoon wordt voor dezelfde periode niet meer dan één vergunning verleend.

  5. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:18a

Weigerings- en intrekkingsgronden

Onverminderd artikel 1:8 kan het college een standplaatsvergunning weigeren of intrekken:

  1. in het belang van de brandveiligheid;

  2. in het belang van de verkeersvrijheid of verkeersveiligheid;

  3. wegens strijd met het omgevingsplan;

  4. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente;

  5. gelet op de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse;

  6. gelet op de grootte of het uiterlijk van de verkoopinrichting;

  7. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

Artikel 5:21

Aanhoudingsplicht

[gereserveerd]

Artikel 5:21a Standplaatsvrije gebieden

  1. Het college kan standplaatsvrije gebieden aanwijzen waar geen standplaatsvergunning wordt verleend.

  2. Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats op een oppervlakte van niet meer dan 2 m² in een krachtens het eerste lid aangewezen gebied met een mobiele verkoopinrichting met een inhoud van niet meer dan 2 m3 voor de verkoop van goederen.

  3. Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats in een krachtens het eerste lid aangewezen gebied voor de verkoop van:

    1. oliebollen van 15 oktober tot en met 31 januari;

    2. kerstbomen van 6 december tot en met 24 december;

    3. haring vanaf vlaggetjesdag tot 1 oktober;

    4. ijs van 1 april tot en met 30 september;

    5. verse sappen van 1 januari tot en met 31 december; of

    6. strandstoelen van 1 april tot en met 30 september.

  4. Op de ontheffingen is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  5. Artikel 5:18, derde en vierde lid, en artikel 5:18a zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:21b

Overgangsrecht standplaatsvrije gebieden

  1. Indien krachtens artikel 5:21a, eerste lid, een standplaatsvrij gebied wordt aangewezen, blijven de rechten van de houder van een eerder verleende standplaatsvergunning gedurende twee jaar na die aanwijzing onverlet, tenzij de vergunning op de gronden genoemd in artikel 5:18a eerder wordt geweigerd of is ingetrokken.

  2. In een krachtens artikel 5:21a, eerste lid, aangewezen standplaatsvrij gebied kunnen door het college locaties worden aangewezen waarbinnen voor de verkoop van goederen, aan de houder voor wie ten tijde van het nemen van een aanwijzingsbesluit een standplaatsvergunning gold, ontheffing kan worden verleend voor het innemen van een standplaats met een mobiele verkoopinrichting van niet meer dan 4 m², met dien verstande dat de inhoud niet meer dan 10 m³ mag bedragen.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:21c

Inneming en ontruiming standplaats

  1. De vergunninghouder kan de standplaats uiterlijk een uur voor aanvang van de verkooptijd innemen en is verplicht de standplaats volledig te hebben ontruimd binnen een uur nadat de verkoop is beëindigd.

  2. Het college kan voor standplaatsen voor de verkoop van oliebollen, kerstbomen of haring ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  3. Indien de houder van een standplaatsvergunning een standplaats inneemt op een locatie waar tevens een B- of C-evenement, genoemd in het door het college op grond van artikel 2:24a vastgestelde evenementenoverzicht, plaatsvindt, is de houder van de standplaatsvergunning verplicht de mobiele verkoopinrichting op aangeven van het bevoegd gezag gedurende het evenement en gedurende de opbouw en afbraak van de bij het evenement behorende voorzieningen te verplaatsen naar een door het bevoegd gezag aangewezen locatie.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:21d

Standplaatsen grote voertuigen

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college met een voertuig dat een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, standplaats op een openbare en in de open lucht gelegen plaats in te nemen, teneinde in of vanuit dat voertuig aan het publiek diensten te verlenen of te verstrekken, of van het publiek goederen in ontvangst te nemen.

  2. De artikelen 5:18a en 5:21a zijn van overeenkomstige toepassing.

  3. Een vergunning krachtens het eerste lid kan betrekking hebben op het innemen van een standplaats op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen gedurende een bepaalde periode.

  4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012