1. De burgemeester kan:

    1. bepalen dat het exploiteren van categorieën van openbare inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de exploitatievergunningplicht wordt vrijgesteld; of

    2. voorschriften verbinden aan een vrijstelling als bedoeld onder a;

    3. een locatie, pand of gebied aanwijzen waar de vrijstelling bedoeld onder a niet geldt;

  2. De exploitatie van een openbare inrichting waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a, van toepassing is, geschiedt zodanig dat daardoor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.