Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Afdeling Voor publiek openstaande gebouwen
Afdeling Toezicht op speelautomatenhallen
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebruik lasers
Afdeling Omgevingsverboden
Afdeling Woonoverlast
Afdeling [vervallen]
Hoofdstuk Regulering prostitutie en seksbranche
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk Overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten, of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  2. Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op wegen of weggedeelten, die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  4. Het is verboden op een openbare plaats, openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig een voorwerp of stof bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de openbare orde of veiligheid te verstoren.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  6. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet openbare manifestaties.

  7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:1a

Straatintimidatie

Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen, vergaderingen en samenkomsten op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, te houden, is verplicht daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze zal worden gehouden, schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

  2. De burgemeester kan in bijzondere gevallen een mondelinge kennisgeving, gedaan binnen de termijn van 48 uur, in behandeling nemen.

  3. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst houdt;

    2. het doel van de betoging, vergadering of samenkomst;

    3. de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats waar de betoging, vergadering of samenkomst wordt gehouden, en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    6. maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  4. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Voorschriften, beperkingen of verboden met betrekking tot de betoging, vergadering of samenkomst door de burgemeester gesteld, onderscheidenlijk gegeven krachtens artikel 5 van de Wet openbare manifestaties worden in het bewijs vermeld.

Artikel 2:3a

Regelmatige terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten

In afwijking van artikel 2:3 kan van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven.

Artikel 2:6

Beperking verspreiden van voorwerpen voor handelsreclamedoeleinden

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken, leden of donateurs te werven, producten of monsters uit te delen, personen staande te houden ten behoeve van het uitvoeren van een enquête of een onderzoek met het kennelijke doel handelsreclame te maken op of aan door het college aangewezen wegen of weggedeelten daarvan.

  2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen of uren.

  3. De verspreider is verplicht de gedrukte stukken of afbeeldingen direct op te ruimen of te laten opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijk plaats door het publiek worden weggeworpen of achterblijven.

  4. Het verbod geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen.

  5. De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  6. Afspraken met evenementenorganisatoren kunnen het nodig maken beperkingen aan grootschalige reclame-uitingen op te leggen.

  7. Het college zal de raad vooraf in kennis stellen van een besluit tot het in werking stellen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  8. Op de aanvraag om een ontheffing en vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:9

Straatartiest

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, straatmuzikant, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten.

  2. De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot nader door hem aan te duiden dagen en uren.

  3. De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:10

Plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college of de burgemeester de weg of weggedeelten anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. [vervallen]

  3. Het verbod geldt niet voor:

    1. evenementen;

    2. terrassen als bedoeld in artikel 2:30b;

    3. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    4. uitstallingen van winkelwaren ten hoogste aan de voorgevel van de winkel gedurende de openingstijden van de betrokken winkel, indien de stoep ter plaatse, gemeten van de gevel tot en met de stoeprand, minimaal 3,50 meter breed is, op de stoep een obstakelvrije ruimte van minimaal 1,80 meter overblijft en de uitstalling maximaal 1 meter, gemeten uit de gevel van de winkel, en 1 meter hoog beslaat;

    5. één reclame-uiting in het kader van verkoop of dienstverlening vanuit een winkel, die niet hoger is dan 1,25 meter en in geen enkele richting breder dan 0,85 meter, en is geplaatst gedurende de openingstijden en in de winkeluitstallingszone van de desbetreffende winkel als beschreven in onderdeel d;

    6. andere door het college of de burgemeester aangewezen categorieën van gevallen.

  4. In afwijking van het derde lid, onder d en e, geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet voor uitstallingen in door het college aangewezen gebieden, indien wordt voldaan aan daarbij gestelde regels met betrekking tot:

    1. de situering, oppervlakte en omvang van de uitstalling, of

    2. de constructie van de uitstalling.

  5. Het verbod geldt tevens niet voor voorwerpen door middel waarvan gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet, tenzij deze door hun omvang, vorm, constructie of bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid of het doelmatig of veilig gebruik daarvan of een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg.

  6. Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  7. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 voorziet.

  8. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:10a

Weigerings- en intrekkingsgronden

Onverminderd artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:10 worden geweigerd of ingetrokken:

  1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg;

  2. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

  3. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken;

  4. als het beoogd gebruik afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. [vervallen]

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Telecommunicatiewet, de Telecommunicatieverordening Rotterdam 2015 of de Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam.

  5. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:12

Maken en veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    1. een uitweg te maken naar een weg in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

    2. van een zodanige weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    3. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar een zodanige weg.

  2. Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    1. de bruikbaarheid van de weg;

    2. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    3. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    4. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Afdeling 6. Veiligheid op de weg

Artikel 2:14

Winkelwagentjes

  1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt:

    1. voorziet deze van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en

    2. verwijdert of doet deze terstond verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

  3. Het is verboden zich in door het college aangewezen gebieden met een winkelwagentje op of aan de weg te bevinden op een afstand van meer dan 100 meter van het bedrijf dat het winkelwagentje ter beschikking heeft gesteld of indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum op een afstand van meer dan 100 meter van het winkelcentrum.

  4. Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16

Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurgebieden

  1. Het is verboden te roken in bossen, duinen of andere natuurgebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.

  2. Het is verboden in bossen, duinen of andere natuurgebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan in de open lucht brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

  4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, onder 3º, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:19

Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

  1. Het is verboden op, aan of boven het voor het verkeer bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  3. Het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:23

Veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden:

    1. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    2. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  2. Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onverwijld het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:23a

(Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen

  1. Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

  2. Het verbod geldt niet op plaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen als kampeerplaats.

Artikel 2:24

Begripsbepaling

  1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder evenement verstaan: een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoopvoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in een openbare inrichting, waarvoor een vergunning krachtens artikel 2:28 geldt, mits die vergunning mede betrekking heeft op deze verrichting van vermaak;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9.

  2. Onder evenement wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen mede verstaan:

    1. braderie;

    2. feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    3. optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op of aan de weg;

    4. iedere markt met uitzondering van markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet;

    5. sportwedstrijden, sporttoernooien of sportgala’s die niet worden georganiseerd door een bij NOC*NSF aangesloten sportbond of een bij een dergelijke bond aangesloten vereniging;

    6. huwelijksstoet van voertuigen op of aan de weg.

  3. In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden:

    1. 0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 250 mensen;

    2. A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;

    3. A+ -evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de omgeving en het verkeer;

    4. B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;

    5. C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer.

  4. Onder evenementenoverzicht wordt in deze afdeling verstaan een op basis van door de raad vastgestelde beoordelingscriteria door het college vast te stellen lijst met evenementen in de categorie B en C die in een kalenderjaar in aanmerking komen voor een evenementenvergunning.

  5. Onder organisator wordt in de afdeling verstaan een natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico het evenement is.

  6. Onder locatieprofiel wordt in deze afdeling verstaan een profiel van evenementenlocaties waarin de randvoorwaarden en regels bij het organiseren van evenementen op die locaties zijn vastgelegd.

Artikel 2:24a

Evenementenoverzicht

  1. Het college is bevoegd tot het vaststellen van het evenementenoverzicht op basis van door de raad vastgestelde beoordelingscriteria.

  2. Het college stelt beleidsregels vast over de totstandkoming van het evenementenoverzicht.

Artikel 2:25

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A-, A+-, B- of C-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.

  2. De burgemeester stelt de vergunningaanvraag buiten behandeling indien het B- of C-evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet is opgenomen op het evenementenoverzicht welke is vastgesteld voor het jaar waarin het evenement, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, plaats zal vinden.

  3. De burgemeester kan de vergunningaanvraag voor een A-evenement buiten behandeling stellen indien:

    1. de aanvraag niet ten minste vier weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

    2. de vergunningaanvraag bedoeld is voor een evenement in de periode april tot en met september en de aanvraag is ingediend voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het evenement zal plaatsvinden.

  4. De burgemeester kan de vergunningaanvraag voor een A+- evenement buiten behandeling stellen indien:

    1. de aanvraag niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

    2. de vergunningafgaand aan het kalenderjaar waarin het evenement zal plaatsvinden.

  5. De burgemeester kan de vergunningaanvraag buiten behandeling stellen indien de aanvraag van een B- of C-evenement niet voor 15 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement plaatsvindt, is ingediend.

  6. De burgemeester weigert de vergunning voor een B- of C-evenement indien de organisator:

    1. onder curatele staat, of

    2. de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

  7. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:

    1. dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement;

    2. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd;

    3. de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd;

    4. het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden verricht of voortgezet;

    5. de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is;

    6. de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en betreffende hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet;

    7. tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen;

    8. het evenement niet past binnen het evenementenvergunningenbeleid en de locatieprofielen van Rotterdam;

    9. de organisator in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    10. de aangevraagde tijd en locatie reeds bezet of gereserveerd is voor een andere activiteit op of aan de weg of het openbare water;

    11. dit noodzakelijk is ter bescherming van gemeentelijke dan wel particuliere eigendommen, groenvoorzieningen of voorzieningen van openbaar nut.

  8. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

    1. de plaats en het tijdstip van het evenement;

    2. de benodigde technische voorzieningen;

    3. de inrichting van het evenemententerrein, waaronder de op- en afbouw van het evenemententerrein;

    4. het activiteitenprogramma;

    5. een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    6. het verkeersplan;

    7. het geluidsniveau van het programma tijdens het evenement;

    8. voorkomen van calamiteiten;

    9. de belangen bedoeld in artikel 1:8 en 2:25, zevende lid.

  9. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.

  10. De aanvraag om een evenementenvergunning bevat ten minste:

    1. de plaats waar het evenement wordt gehouden;

    2. de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt gehouden;

    3. een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers;

    4. de inrichting van het evenemententerrein, waaronder het op- en afbouwplan;

    5. het activiteitenprogramma;

    6. de maatregelen om mogelijke risico’s voor verstoring van de openbare orde en veiligheid te voorkomen;

    7. het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    8. de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen;

    9. een verkeers- en mobiliteitsplan wanneer sprake is van een impact op het verkeer.

  11. Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, dienen door de organisator onverwijld aan de burgemeester te worden gemeld.

  12. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  13. Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  14. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:25a

0-evenementen

  1. Het is verboden een 0-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen als:

    1. geen kennisgeving is gedaan overeenkomstig artikel 2.25a, vierde lid;

    2. wordt afgeweken van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens;

    3. in strijd wordt gehandeld met de door de burgemeester gegeven voorschriften of beperkingen; of

    4. de burgemeester het 0-evenement heeft verboden.

  2. Van een 0-evenement is sprake indien:

    1. het een evenement in de openlucht betreft;

    2. het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 250 personen;

    3. het een evenement is dat plaatsvindt tussen 9.00 en 23.00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13.00 uur en 23.00 uur;

    4. het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A);

    5. het niet plaatsvindt op de rijbaan, een fiets-, bromfiets- of parkeergelegenheid of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

    6. het geen extra politiecapaciteit vergt;

    7. slechts enkele kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van maximaal 25 m² per object;

    8. er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;

    9. er een organisator is.

  3. Van een 0-evenement is mede sprake indien het een huwelijksstoet van voertuigen op of aan de weg betreft.

  4. De organisator stelt de burgemeester ten minste vijf werkdagen voorafgaand aan het 0-evenement in kennis van het evenement door middel van het door de burgemeester vastgestelde kennisgevingsformulier.

  5. Toestemming voor het evenement is verleend indien:

    1. na ontvangst van het kennisgevingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en

    2. de organisator een ontvangstbevestiging, van het feit dat hij een kennisgeving heeft gedaan, kan tonen.

  6. De burgemeester kan naar aanleiding van de kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven in het belang van het verkeer, de veiligheid van personen of zaken, het voorkomen van hinder voor anderen dan de deelnemers en het voorkomen van strafbare feiten of wanordelijkheden.

Artikel 2:25b

Beslistermijn

  1. In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester:

    1. binnen vier weken voorafgaand aan het evenement, indien sprake is van een A-evenement; of

    2. binnen acht weken voorafgaand aan het evenement, indien sprake is vaneen A+-, B- of C-evenement.

  2. Aanvragen voor een evenement, als bedoeld in het eerste lid, worden behandeld op volgorde van binnenkomst. Het tijdstip van ontvangst van de leges is bepalend voor de rangschikking.

Artikel 2:26

Openbare orde en veiligheid

  1. De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens, en na een evenement alle aanwijzingen geven die hij noodzakelijk acht ter handhaving van de openbare orde. De burgemeester bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie, brandweer en hulpverlening.

  2. De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens, en na het evenement:

    1. alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde;

    2. het evenement onverwijld te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor;

    3. een aanwijzing van de burgemeester onverwijld op te volgen;

    4. ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde na een aanwijzing van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van de politie of brandweer geen publiek meer tot het evenement wordt toegelaten.

  3. Het is verboden bij een evenement:

    1. de openbare orde te verstoren;

    2. zich op of rondom het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen;

    3. al dan niet op of rondom het evenemententerrein, op of aan de weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren;

    4. zich op of rondom een evenemententerrein te begeven indien overeenkomstig het eerste, dan wel het tweede lid onder d opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten;

    5. een op grond van het eerste lid gegeven aanwijzing niet op te volgen.

  4. Een ieder is verplicht om ter ordelijk verloop van een evenement of bij enig voorval waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, een daartoe strekkende aanwijzing van een toezichthouder of een ambtenaar van de politie of brandweer zijn weg te vervolgen of aanwijzingen van andere aard in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen en goederen dan wel ter beperking van gemeen gevaar, onverwijld en stipt op te volgen.

Artikel 2.27

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. openbare inrichting:

    1. inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daarbij horende terrassen;

    2. voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18 voor zover daar regelmatig of op gezette tijden:

      1. gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken,

      2. amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van een speelautomatenhal, of

      3. gelegenheid wordt gegeven anders dan tegen betaling tot het verrichten van seksuele handelingen;

  2. exploitant:

    natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden met uitzondering van de bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 Alcoholwet;

  3. beheerder:

    natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting of het bedrijf;

  4. kortlopende exploitatievergunning:

    exploitatievergunning die wordt verleend voor een locatie of pand voor de duur van maximaal 6 maanden in een jaar;

  5. hoogdrempelige inrichting:

    inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen;

  6. laagdrempelige inrichting:

    inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen;

  7. kansspelautomaat:

    automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet op de kansspelen.

Artikel 2.28

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. In afwijking van artikel 1:7 wordt een exploitatievergunning verleend voor de duur van vijf jaar, tenzij bij de vergunning anders is bepaald.

  3. Een afschrift van de exploitatievergunning is in de openbare inrichting aanwezig.

  4. De exploitant en de beheerder voldoen aan de volgende eisen:

    1. zij hebben de leeftijd van achttien jaar bereikt of indien aan de inrichting een alcoholwetvergunning is verstrekt de leeftijd van eenentwintig jaar;

    2. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

    3. zij mogen niet onder curatele staan.

    4. zij beschikken over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne indien voor de inrichting een alcoholwetvergunning is verstrekt.

  5. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 weigert de burgemeester de exploitatievergunning of trekt deze in indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of het Activiteitenbesluit, zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    2. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een horecagebiedsplan en voor dat gebied of de locatie geen advies aan de adviescommissie, als bedoeld in artikel 2:28b, wordt of is gevraagd;

    3. de exploitant van de inrichting niet voldoet aan de in het vierde lid gestelde eisen;

  6. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen of schorsen, indien:

    1. in of vanuit de openbare inrichting een feit of feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting nadelig zal worden beïnvloed;

    2. door de exploitatie van de openbare inrichting de leefbaarheid in de omgeving van de openbare inrichting wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    3. de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    4. de exploitant of de beheerder zich schuldig maakt aan discriminatie;

    5. sprake is van een gewijzigde exploitatie, een wijziging in de exploitant of de beheerder en waarvoor geen melding als bedoeld in artikel 2:30c, derde lid, heeft plaatsgevonden;

    6. er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    7. de exploitant of de beheerder het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt;

    8. in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen of de in het exploitatieplan beschreven maatregelen;

    9. de exploitant niet beschikt over een geldige inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    10. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde of op de vergunning vermelde in overeenstemming is of zal zijn;

    11. de exploitatie strijdig is met of niet voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in het horeca(vergunningen)beleid;

    12. een beheerder van de inrichting niet voldoet aan de in het vierde lid gestelde eisen.

  7. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.28a

Vrijstelling

  1. De burgemeester kan:

    1. bepalen dat het exploiteren van categorieën van openbare inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de exploitatievergunningplicht wordt vrijgesteld; of

    2. voorschriften verbinden aan een vrijstelling als bedoeld onder a;

    3. een locatie, pand of gebied aanwijzen waar de vrijstelling bedoeld onder a niet geldt;

  2. De exploitatie van een openbare inrichting waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a, van toepassing is, geschiedt zodanig dat daardoor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2:28b

Horecagebiedsplan en adviescommissie

  1. Het college is bevoegd tot het vaststellen van horecagebiedsplannen.

  2. De burgemeester is met het oog op de vergunningverlening bevoegd voor een gebied een adviescommissie in te stellen.

Artikel 2:29

Openings- en sluitingstijden

  1. De burgemeester merkt een openbare inrichting in de exploitatievergunning aan als ochtendhoreca, daghoreca, avondhoreca of nachthoreca.

  2. Het is de exploitant of de beheerder verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op andere tijdstippen dan:

    1. van 04.00 uur tot 23.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als ochtendhoreca;

    2. van 07.00 uur tot 23.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als daghoreca;

    3. van 07.00 uur tot 01.00 uur en op vrijdag en zaterdag van 07.00 uur tot 03.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als avondhoreca;

    4. van 00.00 uur tot 24.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als nachthoreca.

  3. Het is de exploitant of de beheerder verboden de tot de openbare inrichting behorende terrassen voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op andere tijdstippen dan:

    1. van 07.00 uur tot 01.00 uur en op vrijdag en zaterdag van 07.00 uur tot 02.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als avondhoreca of nachthoreca.

    2. van 07.00 uur tot 23.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als ochtendhoreca of daghoreca.

  4. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar op vrijdag en zaterdag de sluitingstijd van een openbare inrichting die is aangemerkt als avondhoreca, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, 02.00 uur is.

  5. De burgemeester kan in de vergunning bepalen dat afwijkende openingstijden gelden.

  6. De exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een exploitatievergunning kan maximaal twintig festiviteiten per jaar houden, waarbij het de exploitant of beheerder is toegestaan de openbare inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tot 07.00 uur, mits de exploitant op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, voor de aanvang daarvan, doch uiterlijk om 22.00 uur, de burgemeester van de festiviteit kennis heeft gegeven.

  7. Het houden van een incidentele festiviteit als bedoeld in het zesde lid is niet mogelijk indien binnen de periode van zeven dagen voorafgaand aan de incidentele festiviteit in een straal van 100 meter rondom de inrichting reeds drie kennisgevingen voor het houden van incidentele festiviteiten zijn ontvangen.

  8. Kennisgeven vindt plaats volgens de procedure die op het daartoe door de burgemeester vastgestelde formulier is voorgeschreven.

  9. In afwijking van het zesde lid is het de exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een kortlopende exploitatievergunning niet toegestaan incidentele festiviteiten te houden.

  10. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of het woon- of leefklimaat voor een of meer openbare inrichtingen, voor categorieën van openbare inrichtingen of voor de tot de openbare inrichting behorende terrassen de krachtens het tweede tot en met het vijfde lid geldende openings- en sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden vaststellen.

  11. De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van een bijzondere omstandigheid, algemene ontheffing verlenen van de krachtens het tweede tot en met het vijfde lid geldende openings- en sluitingstijden voor een bepaald gebied of voor een of meer bepaalde openbare inrichtingen.

  12. De burgemeester kan een verbod opleggen een festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien naar zijn oordeel het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

    [NB: Artikel 2:29 lid 7 treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip.]

Artikel 2:30

Sluiting van openbare inrichtingen

  1. De burgemeester kan een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren:

    1. indien die openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;

    2. indien een van de in artikel 2:28, vijfde of zesde lid, genoemde situaties zich voordoet;

    3. indien die openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften;

    4. op grond van een van de in artikel 1:8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde belangen.

  2. Een besluit tot sluiting wordt op, in of nabij de toegang van de openbare inrichting aangebracht en blijft aangebracht zolang de sluiting van kracht is.

  3. Een sluiting kan op aanvraag van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de situatie die tot de sluiting heeft geleid, zal plaatsvinden.

  4. Het is de exploitant of de beheerder van de openbare inrichting verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten openbare inrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

Artikel 2:30a

Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

  1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder in de openbare inrichting aanwezig is.

  2. De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor door de burgemeester aangewezen openbare inrichtingen of categorieën van openbare inrichtingen.

Artikel 2:30b

Terrassen

  1. Ingeval van een exploitatievergunningaanvraag die tevens van toepassing is voor een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen, beslist de burgemeester – gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse hetgeen mede omvat de kwaliteit en het uiterlijk aanzien van de terrassen – tevens omtrent de ingebruikneming van de openbare weg.

  2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:6, 1:8 en 2:28, kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de openbare weg weigeren of verbieden indien het de verwachting is dat het gebruik:

    1. schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    3. afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.

  3. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, is de exploitant van de openbare inrichting verplicht dit binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, te verwijderen.

  4. Het is verboden dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het eerste lid is toegestaan.

  5. De exploitant of de beheerder is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de openbare inrichting, doch in ieder geval onverwijld op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van dat terras afkomstig, worden verwijderd.

Artikel 2:30c

Beëindiging exploitatie en melding gewijzigde omstandigheden

  1. De exploitatievergunning vervalt:

    1. zodra de exploitant dan wel de exploitanten de exploitatie van de openbare inrichting heeft dan wel hebben beëindigd;

    2. indien de openbare inrichting om andere redenen dan een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht gedurende twaalf aaneengesloten maanden niet wordt geëxploiteerd;

    3. indien een nieuwe exploitatievergunning voor de openbare inrichting is verleend.

  2. Uiterlijk binnen een week na de beëindiging van de exploitatie door de exploitant dan wel exploitanten dan wel een van de exploitanten, geeft deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  3. De exploitant meldt elke verandering waardoor zijn openbare inrichting niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 2:28, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan de burgemeester.

Artikel 2:30d

Wijziging beheer

  1. Indien een beheerder het beheer in de openbare inrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder kan aantonen dat de nieuwe beheerder op de exploitatievergunning is bijgeschreven.

  3. In afwijking van het tweede lid, kan het beheer tot op de aanvraag is beslist, tijdelijk worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder een bevestiging van de burgemeester kan tonen waaruit blijkt dat die nieuwe beheerder ten behoeve van bijschrijving op de exploitatievergunning is aangemeld.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

  1. Het is een ieder verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren, dan wel strafbare feiten te plegen.

  2. Het is bezoekers verboden zich te bevinden in een openbare inrichting na sluitingstijd.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Schakelbepaling

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw is als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:27 tot en met 2:30d en de daarop berustende bepalingen.

Artikel 2:34a

Begripsbepaling

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder paracommercieel rechtspersoon verstaan: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.

Artikel 2:34b

Regulering paracommerciële rechtspersonen

  1. Een paracommercieel rechtspersoon kan maximaal 12 bijeenkomsten per jaar organiseren van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  2. Artikel 2:29 eerste tot en met het vijde lid is overeenkomstig van toepassing.

  3. Artikel 2:29 zesde lid is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde bijeenkomsten.

  4. Een paracommercieel rechtspersoon doet ten minste vijf werkdagen voorafgaand aan de bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid hiervan melding aan de burgemeester.

  5. De burgemeester kan een paracommercieel rechtspersoon verbieden een bijeenkomst te organiseren als bedoeld in het eerste lid of aanvullende voorschriften stellen indien naar zijn oordeel:

  6. dit in het belang is van de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid, dan wel het woon- en leefklimaat;

  7. de bepalingen van het eerste tot en met het vierde lid worden overtreden;

  8. bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid bedrijfsmatig worden georganiseerd;

  9. artikel 20, eerste of tweede lid van de Alcoholwet is overtreden.

Artikel 2:34c

Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven

  1. 1.Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting die in de hoofdzaak in het gebruik is door of zich richt op:

  2. een jeugdorganisatie of –instelling;

  3. een sportorganisatie of –instelling;

  4. het verstrekken van geringe voedingsmiddelen;

  5. onderwijs;

  6. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken:

  7. op een kampeer- of caravanterrein;

  8. in een bioscoop.

  9. De burgemeester kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  10. De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

  11. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:35

Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen

  1. De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of de ruimte waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  6. Op aanvraag van een belanghebbende kan:

    1. een sluiting voor onbepaalde duur door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden;

    2. een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:36

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    2. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

    3. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

  3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    2. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    6. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    7. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.

  5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    2. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    3. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    4. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    5. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    6. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

    1. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

    2. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

    3. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of

    4. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

    5. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

    6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

    7. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

    8. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

    9. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

    10. de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.

  8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

  9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

  11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

  14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  15. Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:39

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. de wet: de Wet op de kansspelen;

  2. Speelautomatenbesluit: Speelautomatenbesluit 2000;

  3. speelautomaat: toestel als bedoeld in artikel 30, onder a, van de wet;

  4. behendigheidsautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de wet;

  5. kansspelautomaat: speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is;

  6. speelautomatenhal: inrichting als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid, onder b, van de wet;

  7. exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden;

  8. beheerder: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting of het bedrijf.

Artikel 2:39a

Speelautomatenhallen

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.

  2. De burgemeester kan maximaal 12 speelautomatenhallenvergunningen verlenen.

  3. Een vergunning voor een speelautomatenhal wordt verleend voor de duur van vijf jaar.

  4. Het is verboden een speelautomatenhal voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op andere tijdstippen dan:

    1. zondag tot en met donderdag van 07:00 uur tot 01:00 uur;

    2. vrijdag van 07:00 uur tot 03:00 uur;

    3. zaterdag van 07:00 uur tot 03:00 uur.

  5. Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden, die betrekking hebben op:

    1. de opening- en sluitingstijden;

    2. het toezicht in de speelautomatenhal;

    3. het aantal en type speelautomaten, alsmede het totaal aantal spelers bij volledige bezetting van de speelautomaten;

    4. de wijze van exploitatie van de hal.

  6. De burgemeester weigert de vergunning indien:

    1. het maximaal aantal vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend;

    2. de beheerder(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt of de exploitant of de beheerder van de speelautomatenhal niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 van het Speelautomatenbesluit;

    3. de speelautomatenhal niet uitsluitend of rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is;

    4. de speelautomatenhal is gelegen in de nabijheid van scholen, jeugd-, buurt- of clubhuizen;

    5. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelautomatenhal of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelautomatenhal;

    6. de exploitatie van de speelautomatenhal in strijd is met het omgevingsplan.

  7. De burgemeester kan de vergunning intrekken of wijzigen indien:

    1. de exploitatie van een speelautomatenhal om een andere reden dan een bestuurlijke maatregel voor een periode langer dan zes maanden is of wordt onderbroken;

    2. een van de in artikel 2:28, zesde lid, genoemde situaties zich voordoet;

    3. een exploitant komt te overlijden, dan wel indien een

exploitant de exploitatie van zijn speelautomatenhal beëindigt.

  1. De vergunning vervalt, indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand in werking is getreden.

  2. Artikel 2.30d is van overeenkomstige toepassing.

  3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40

Kansspelautomaten

1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.

2.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:40a

Gokken op de weg

Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze om geld of geldswaarde te spelen.

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Het is verboden een krachtens artikel 17 van de Woningwet gesloten gebouw, open erf of terrein te betreden.

  4. De in het eerste, tweede en derde lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning, het lokaal of het gebouw wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg, op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is of op een op de weg staande roerende zaak:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken of aan te doen plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. op een andere wijze enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op degene die krachtens wettelijk voorschrift bevoegd is tot het verrichten van de betrokken handeling of voor degene die handelt bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering onverwijld ter inzage af te geven.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap e.d.

  1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verf- of plakgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op de weg inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44a

Vervoer geprepareerde voorwerpen

  1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:45

Bescherming groenvoorzieningen

1.Het is, behoudens op door het college aan te wijzen plaatsen, verboden in een voor publiek toegankelijk gemeentelijk bos, park, plantsoen, groenstrook of duin:

    1. zich buiten de paden te bevinden, met uitzondering van de grasperken;

    2. zich met een rij- of trekdier buiten een ruiterpad te bevinden;

    3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:46

Rijden over bermen e.d.

  1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden:

    1. op of aan de weg te klimmen, te liggen of zich anderszins te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, tram, metro, abri, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt;

    3. zich op de weg binnen de voor een brug geplaatste afsluitingen te bevinden nadat een of meer van die afsluitingen zijn of worden gesloten, dan wel een afsluiting voor een brug te openen.

  2. Eenieder, die op een openbare plaats klimt, ligt of zich anderszins bevindt op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, tram, metro, abri, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair, zich op of aan de weg zodanig ophoudt dat aan weggebruikers of gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt, of zich op de weg binnen de voor een brug geplaatste afsluitingen bevindt nadat een of meer van die afsluitingen zijn of worden gesloten, dan wel een afsluiting voor een brug opent, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op degene die bevoegd is tot het verrichten van de betrokken handeling of voor degene die handelt bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47a

Verbod gebieden of locaties

  1. Het is verboden zich te bevinden in de door de burgemeester aangewezen gebieden of locaties.

  2. De burgemeester kan de gebieden of locaties aanwijzen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast of baldadigheid, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de volksgezondheid of de goede zeden.

  3. De burgemeester beperkt de werking van het verbod tot nader door hem aan te duiden perioden of tijden.

  4. Een gebied of locatie wordt aangewezen voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste drie maanden verlengen.

  5. Het verbod geldt niet voor:

    1. bewoners van woningen die zijn gelegen in het gebied of de locatie;

    2. de betrokken toezichthouders, hulpverlenende diensten en personen die in het aangewezen gebied of op de aangewezen locatie noodzakelijke werkzaamheden verrichten;

    3. door de burgemeester te bepalen categorieën van gevallen.

  6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 2:47b

Groepsfietsen

  1. Het is de bestuurder van een groepsfiets verboden zich met een groepsfiets te bevinden op door de burgemeester aangewezen gebieden, wegen of weggedeelten.

  2. Onder bestuurder van een groepsfiets wordt tevens verstaan de aanbieder of exploitant van een groepsfiets.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken.

  2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op de weg, die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor:

    1. een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:48b

Alcoholoverlastgebied

  1. De burgemeester kan een gebied aanwijzen als alcoholoverlastgebied indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige aantasting van de openbare orde, de leefomgeving of de volksgezondheid door het gebruik van alcohol in dat gebied.

  2. In een overlastgebied, zoals bedoeld in het eerste lid, kan de burgemeester:

    1. een verbod instellen om zwak-alcoholhoudende drank in of vanuit locaties als bedoeld in artikel 18, tweede lid, of artikel 19, tweede lid, onder a van de Alcoholwet bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken, of daar beperkingen aan stellen;

    2. een Alcoholwetvergunning, als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, weigeren indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige aantasting van de openbare orde, de leefomgeving of de volksgezondheid door het gebruik van alcohol in dat gebied.

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden hinder of overlast te veroorzaken, danwel zich zonder redelijk doel op te houden:

    1. in een portiek, bordes, poort, nis of op een trap;

    2. in, op of tegen een raamkozijn, gevel of drempel van een gebouw;

    3. in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling, winkelcentrum, abri of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50b

Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

[vervallen]

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53

Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

3 Het is verboden op of aan de openbare weg dan wel in een voor publiek toegankelijke ruimte een persoon heimelijk te filmen of heimelijk te fotograferen door middel van een technisch hulpmiddel wanneer dit een aantasting van de eerbaarheid of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert.

Artikel 2:57

Loslopende honden

  1. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

  2. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd;

    3. Buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd.

    4. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het in het eerste lid, onderdeel b, gestelde verbod geldt niet op door het college aangewezen plaatsen.

  3. De in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, gestelde verboden zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting.

  5. Degene die zich met een hond op of aan de weg bevindt, is verplicht in door het college aangewezen gebieden een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen van de hond. De eigenaar of houder van de hond is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

  6. Het college kan ontheffing verlenen van de in het vijfde lid gestelde verplichting.

  7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:59

Gevaarlijke en hinderlijke honden

  1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

  5. De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort door aanhoudend geblaf of gejank.

  6. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden een hond in strijd met een door de burgemeester opgelegd aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod op een openbare plaats of op het terrein van een ander te laten verblijven of lopen.

Artikel 2:60

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels;

    3. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:60a

Verbod voeren van dieren op openbare plaats of openbaar water

  1. Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water dieren te voeren.

  2. Dit verbod geldt niet:

    1. voor personen die dieren voeren in opdracht van de beheerder van de openbare plaats of het openbaar water;

    2. ten aanzien van door het college aan te wijzen categorieën van gevallen;

    3. in door het college aan te wijzen gebieden.

Artikel 2:65

Bedelarij

Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2:66

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: handelaar, als bedoeld in artikel 1 van het besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36).

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan voor daarbij aangegeven categorieën van goederen vrijstelling verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

  2. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

  3. van een verandering van de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde adressen;

  4. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

  5. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  6. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  7. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  8. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:69

Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

[gereserveerd]

Artikel 2:70

Handel in horecabedrijven

[Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:32]

Artikel 2:71

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik, niet zijnde fop- en schertsvuurwerk;

  2. exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico het vuurwerkverkooppunt wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden;

  3. beheerder: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in het vuurwerkverkooppunt;

  4. fop- en schertsvuurwerk: fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2:72

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van de burgemeester.

  2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor de duur van 5 jaar.

  3. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien:

    1. in of vanuit het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet of zich feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat in de omgeving van het vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed;

    2. de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het vuurwerkverkooppunt, dan wel toestaat of gedoogt dat in het vuurwerkverkooppunt strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed;

    3. de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. de vestiging of de exploitatie van het vuurwerkverkooppunt in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer;

    5. de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan zijn;

    6. geen melding is gedaan op grond van het Vuurwerkbesluit

    7. niet wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in het vergunningenbeleid.

  4. De vergunningaanvraag wordt ingediend door de exploitant van de inrichting.

  5. De vergunning is in de inrichting aanwezig.

  6. De vergunning vervalt:

    1. indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe vergunning in werking is getreden;

    2. zodra de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk wordt beëindigd.

  7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  1. Artikel 2:30d is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:73

Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Het is verboden om tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar consumentenvuurwerk tot ontbranding te brengen.

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan de weg in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:74b

Weggooien van spuiten e.d.

Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 154a van de Gemeentewet, besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:23, 2:23a, 2:26, tiende, elfde en twaalfde lid, 2:47, 2:48 en 2:73.

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, eveneens ten aanzien van voor een ieder toegankelijke parkeerterreinen.

Artikel 2:77a

Gebruik lasers

  1. Het is verboden op of aan de weg, of op een openbare plaats zodanig met laserlicht te schijnen dat daardoor de openbare orde of veiligheid wordt verstoord of overlast wordt veroorzaakt.

  2. Het is verboden op de weg, een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, lasers, laserpennen of dergelijke apparatuur in bezit te hebben of met zich mee te voeren, anders dan voor professioneel gebruik.

Artikel 2:77b

Wijkverbod

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstoren de handelingen verricht een verbod opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen gebied gedurende een in het verbod neergelegde periode.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een wijkverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een wijkverbod opleggen om zich gedurende een in dat wijkverbod genoemd tijdvak van ten hoogste 30 dagen te bevinden op in dat wijkverbod aangewezen gebied.

  3. Een wijkverbod krachtens het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien strafbare feiten of andere openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder wijkverbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.

  4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde wijkverboden, indien dat in het verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd wijkverbod.

Artikel 2:78

Aanpak woonoverlast

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht, kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

Artikel 2:81

Aanwijzing vergunningplichtige woningverhuur

[vervallen]

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012