1. Het is verboden in door het college aan te wijzen gebieden of perioden:

    1. met een vaartuig ligplaats in te nemen;

    2. met een vaartuig langer dan drie achtereenvolgende dagen ligplaats te hebben of te houden op dezelfde plaats of binnen een nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed gemeten, daarvan;

    3. met een vaartuig binnen drie dagen nadat het is verplaatst, opnieuw ligplaats in te nemen op dezelfde plaats of binnen een nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed gemeten, daarvan;

    4. met een vaartuig langer dan twee achtereenvolgende uren aan een winkelsteiger ligplaats te hebben of te houden tussen 9 uur en 20 uur;

    5. een vaartuig langer dan zes achtereenvolgende uren onbemand te laten;

    6. een vaartuig te verbouwen of onderhoud aan de buitenzijde van een vaartuig te verrichten, anders dan geringe herstel- of onderhoudswerkzaamheden, die redelijkerwijs niet langer dan een half uur duren; of

    7. in vaartuigen te overnachten.

  2. De verboden gelden niet voor vaartuigen die liggen:

    1. in een haven;

    2. op grond van de eigenaar van het vaartuig, of in het daartoe behorende water, mits het niet meer dan twee vaartuigen betreft en de afstand tot de oever niet meer bedraagt dan tien meter.

  3. Bij de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, kan het college bepalen dat het verbod niet dan wel uitsluitend geldt voor bepaalde categorieën van vaartuigen.