Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Afdeling Voor publiek openstaande gebouwen
Afdeling Toezicht op speelautomatenhallen
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebruik lasers
Afdeling Omgevingsverboden
Afdeling Woonoverlast
Afdeling [vervallen]
Hoofdstuk Regulering prostitutie en seksbranche
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 1:1

Begripsbepalingen

  1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • bebouwde kom: bebouwde kom waarvan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;

    • beperkingengebiedactiviteit: beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A;

    • bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

    • bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A;

    • college: het college van burgemeester en wethouders;

    • gebouw: gebouw als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A;

    • groepsfiets: een door meerdere personen door trapaandrijving voortbewogen fiets waarop, naast de bestuurder, drie of meer personen tegen betaling kunnen plaatsnemen;

    • handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

    • motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    • openbaar water: wateren die -al dan niet met enige beperking- voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

    • openbare plaats: plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties;

    • provinciale omgevingsverordening: provinciale omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland;

    • rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

    • waterschapsverordening: waterschapsverordening van het betreffende waterschap;

    • weg:

      1. voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen of paden behorende bermen of zijkanten, alsmede de aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

      2. voor het publiek - al dan niet met enige beperking - toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen, stranden, duinen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;

      3. voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, arcades en galerijen,die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

      4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, arcades, nissen en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.

  2. Onder vaartuigen worden in deze verordening en de daarop berustende bepalingen mede verstaan drijvende werktuigen, glijboten, luchtkussenvaartuigen, ponten, vlotten, pontons, amfibische voertuigen, zeilplanken en soortgelijke drijvende voorwerpen en schepen die uitsluitend of hoofdzakelijk als woning worden gebruikt of tot woning zijn bestemd. Onder vaartuigen worden tevens mede verstaan vaartuigen die tijdelijk of blijvend de mogelijkheid of geschiktheid hebben verloren om te varen of te drijven, en vaartuigen in aanbouw of casco´s van vaartuigen.

Artikel 1:2

Beslistermijn

  1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen vier weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, tenzij in deze verordening een andere beslistermijn is vastgesteld.

  2. In afwijking van het eerste lid beslist het bevoegde bestuursorgaan binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag voor een vergunning krachtens de artikelen 2:28, 2:36, 2:39a of 5:18.

  3. Het bestuursorgaan kan de termijn, bedoeld in het eerste lid met ten hoogste vier weken verlengen onderscheidenlijk de in het tweede lid bedoelde termijn met acht weken.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

  5. [vervallen]

Artikel 1:4

Voorschriften en beperkingen

  1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5

Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

  1. De vergunning en ontheffing geldt alleen voor degene aan wie zij is verleend.

  2. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6

Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  1. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  2. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  3. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  4. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

  5. op grond van een van de in artikel 1:8, eerste lid, onder a tot en met d, bedoelde belangen;

  6. indien de houder dit verzoekt.

  1. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:7

Geldigheidsduur vergunning of ontheffing

  1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal potentiële aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:7a

Termijnen

Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

Artikel 1:8

Weigeringsgronden

  1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd:

    1. in het belang van de openbare orde;

    2. in het belang van de openbare veiligheid;

    3. in het belang van de volksgezondheid;

    4. in het belang van de bescherming van het milieu;

    5. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

  2. Het bevoegde bestuursorgaan of het bevoegd gezag kan,onverminderd het elders in deze verordening bepaalde, een vergunning of ontheffing weigeren, indien de aanvrager voorschriften,verbonden aan een eerdere vergunning of ontheffing voor een soortgelijke activiteit of beperkingen waaronder zo’n vergunning of ontheffing is verleend,niet heeft nageleefd en het vermoeden gerechtvaardigd is dat indien de gevraagde vergunning of ontheffing wordt verleend, hij ook daaraan verbonden voorschriften of beperkingen waaronder zij zou worden verleend, niet zal naleven.

  3. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1:10

Experimenteerartikel

  1. In dit artikel wordt verstaan onder experiment: tijdelijk afwijken van een of meer bepalingen in deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent of algemeen kan worden gemaakt.

  2. Het college of de burgemeester kan, ieder voor zover het een hem in deze verordening gegeven bevoegdheid betreft, besluiten tot het houden van een experiment.

  3. Het college of de burgemeester kan niet bij wijze van experiment afwijken van de volgende onderdelen van deze verordening:

    1. de hoofdstukken 1, 3, 6 en 7;

    2. de afdelingen 2.1, 2.2 en 2.6 met uitzondering van artikel 2:14, de afdelingen 2.9 en 2.11 met uitzondering van de artikelen 2:42 en 2:58, de afdelingen 2.13 tot en met 2.16, afdeling 4.1 met uitzondering van artikel 4:6, en de afdelingen 4.2 en 4.3; en

    3. de artikelen 2:31, 2:32, 2:40a, 5:23a, 5:28 tot en met 5:31a, 5:33b, 5:33c en 5:33d.

  4. In het besluit, zoals genoemd in het tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen:

    1. het doel van het experiment;

    2. de tijdsduur van het experiment;

    3. van welke regels wordt afgeweken;

    4. voor welk gebied het experiment geldt; en

    5. de voorwaarden die het college of de burgemeester verbindt aan het experiment.

  5. De raad wordt uiterlijk vier weken voor aanvang van het experiment door het college of de burgemeester geïnformeerd over het experiment.

  6. Een experiment heeft een looptijd van ten hoogste een jaar.

  7. Het experiment wordt geëvalueerd. Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van deze verordening, kan het college of de burgemeester besluiten, in afwijking van het zesde lid, het experiment met ten hoogste een jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van de verordening.

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten, of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  2. Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op wegen of weggedeelten, die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  4. Het is verboden op een openbare plaats, openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig een voorwerp of stof bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de openbare orde of veiligheid te verstoren.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  6. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet openbare manifestaties.

  7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:1a

Straatintimidatie

Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen, vergaderingen en samenkomsten op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, te houden, is verplicht daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze zal worden gehouden, schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

  2. De burgemeester kan in bijzondere gevallen een mondelinge kennisgeving, gedaan binnen de termijn van 48 uur, in behandeling nemen.

  3. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst houdt;

    2. het doel van de betoging, vergadering of samenkomst;

    3. de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats waar de betoging, vergadering of samenkomst wordt gehouden, en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    6. maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  4. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Voorschriften, beperkingen of verboden met betrekking tot de betoging, vergadering of samenkomst door de burgemeester gesteld, onderscheidenlijk gegeven krachtens artikel 5 van de Wet openbare manifestaties worden in het bewijs vermeld.

Artikel 2:3a

Regelmatige terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten

In afwijking van artikel 2:3 kan van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven.

Artikel 2:6

Beperking verspreiden van voorwerpen voor handelsreclamedoeleinden

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken, leden of donateurs te werven, producten of monsters uit te delen, personen staande te houden ten behoeve van het uitvoeren van een enquête of een onderzoek met het kennelijke doel handelsreclame te maken op of aan door het college aangewezen wegen of weggedeelten daarvan.

  2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen of uren.

  3. De verspreider is verplicht de gedrukte stukken of afbeeldingen direct op te ruimen of te laten opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijk plaats door het publiek worden weggeworpen of achterblijven.

  4. Het verbod geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen.

  5. De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  6. Afspraken met evenementenorganisatoren kunnen het nodig maken beperkingen aan grootschalige reclame-uitingen op te leggen.

  7. Het college zal de raad vooraf in kennis stellen van een besluit tot het in werking stellen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  8. Op de aanvraag om een ontheffing en vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:9

Straatartiest

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, straatmuzikant, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten.

  2. De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot nader door hem aan te duiden dagen en uren.

  3. De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:10

Plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college of de burgemeester de weg of weggedeelten anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. [vervallen]

  3. Het verbod geldt niet voor:

    1. evenementen;

    2. terrassen als bedoeld in artikel 2:30b;

    3. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    4. uitstallingen van winkelwaren ten hoogste aan de voorgevel van de winkel gedurende de openingstijden van de betrokken winkel, indien de stoep ter plaatse, gemeten van de gevel tot en met de stoeprand, minimaal 3,50 meter breed is, op de stoep een obstakelvrije ruimte van minimaal 1,80 meter overblijft en de uitstalling maximaal 1 meter, gemeten uit de gevel van de winkel, en 1 meter hoog beslaat;

    5. één reclame-uiting in het kader van verkoop of dienstverlening vanuit een winkel, die niet hoger is dan 1,25 meter en in geen enkele richting breder dan 0,85 meter, en is geplaatst gedurende de openingstijden en in de winkeluitstallingszone van de desbetreffende winkel als beschreven in onderdeel d;

    6. andere door het college of de burgemeester aangewezen categorieën van gevallen.

  4. In afwijking van het derde lid, onder d en e, geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet voor uitstallingen in door het college aangewezen gebieden, indien wordt voldaan aan daarbij gestelde regels met betrekking tot:

    1. de situering, oppervlakte en omvang van de uitstalling, of

    2. de constructie van de uitstalling.

  5. Het verbod geldt tevens niet voor voorwerpen door middel waarvan gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet, tenzij deze door hun omvang, vorm, constructie of bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid of het doelmatig of veilig gebruik daarvan of een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg.

  6. Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  7. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 voorziet.

  8. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:10a

Weigerings- en intrekkingsgronden

Onverminderd artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:10 worden geweigerd of ingetrokken:

  1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg;

  2. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

  3. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken;

  4. als het beoogd gebruik afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. [vervallen]

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Telecommunicatiewet, de Telecommunicatieverordening Rotterdam 2015 of de Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam.

  5. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:12

Maken en veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    1. een uitweg te maken naar een weg in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

    2. van een zodanige weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    3. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar een zodanige weg.

  2. Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    1. de bruikbaarheid van de weg;

    2. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    3. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    4. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Afdeling 6. Veiligheid op de weg

Artikel 2:14

Winkelwagentjes

  1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt:

    1. voorziet deze van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en

    2. verwijdert of doet deze terstond verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

  3. Het is verboden zich in door het college aangewezen gebieden met een winkelwagentje op of aan de weg te bevinden op een afstand van meer dan 100 meter van het bedrijf dat het winkelwagentje ter beschikking heeft gesteld of indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum op een afstand van meer dan 100 meter van het winkelcentrum.

  4. Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16

Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurgebieden

  1. Het is verboden te roken in bossen, duinen of andere natuurgebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.

  2. Het is verboden in bossen, duinen of andere natuurgebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan in de open lucht brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

  4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, onder 3º, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:19

Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

  1. Het is verboden op, aan of boven het voor het verkeer bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  3. Het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:23

Veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden:

    1. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    2. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  2. Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onverwijld het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:23a

(Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen

  1. Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

  2. Het verbod geldt niet op plaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen als kampeerplaats.

Artikel 2:24

Begripsbepaling

  1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder evenement verstaan: een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoopvoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in een openbare inrichting, waarvoor een vergunning krachtens artikel 2:28 geldt, mits die vergunning mede betrekking heeft op deze verrichting van vermaak;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9.

  2. Onder evenement wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen mede verstaan:

    1. braderie;

    2. feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    3. optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op of aan de weg;

    4. iedere markt met uitzondering van markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet;

    5. sportwedstrijden, sporttoernooien of sportgala’s die niet worden georganiseerd door een bij NOC*NSF aangesloten sportbond of een bij een dergelijke bond aangesloten vereniging;

    6. huwelijksstoet van voertuigen op of aan de weg.

  3. In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden:

    1. 0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 250 mensen;

    2. A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;

    3. A+ -evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de omgeving en het verkeer;

    4. B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;

    5. C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer.

  4. Onder evenementenoverzicht wordt in deze afdeling verstaan een op basis van door de raad vastgestelde beoordelingscriteria door het college vast te stellen lijst met evenementen in de categorie B en C die in een kalenderjaar in aanmerking komen voor een evenementenvergunning.

  5. Onder organisator wordt in de afdeling verstaan een natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico het evenement is.

  6. Onder locatieprofiel wordt in deze afdeling verstaan een profiel van evenementenlocaties waarin de randvoorwaarden en regels bij het organiseren van evenementen op die locaties zijn vastgelegd.

Artikel 2:24a

Evenementenoverzicht

  1. Het college is bevoegd tot het vaststellen van het evenementenoverzicht op basis van door de raad vastgestelde beoordelingscriteria.

  2. Het college stelt beleidsregels vast over de totstandkoming van het evenementenoverzicht.

Artikel 2:25

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A-, A+-, B- of C-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.

  2. De burgemeester stelt de vergunningaanvraag buiten behandeling indien het B- of C-evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet is opgenomen op het evenementenoverzicht welke is vastgesteld voor het jaar waarin het evenement, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, plaats zal vinden.

  3. De burgemeester kan de vergunningaanvraag voor een A-evenement buiten behandeling stellen indien:

    1. de aanvraag niet ten minste vier weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

    2. de vergunningaanvraag bedoeld is voor een evenement in de periode april tot en met september en de aanvraag is ingediend voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het evenement zal plaatsvinden.

  4. De burgemeester kan de vergunningaanvraag voor een A+- evenement buiten behandeling stellen indien:

    1. de aanvraag niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

    2. de vergunningafgaand aan het kalenderjaar waarin het evenement zal plaatsvinden.

  5. De burgemeester kan de vergunningaanvraag buiten behandeling stellen indien de aanvraag van een B- of C-evenement niet voor 15 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement plaatsvindt, is ingediend.

  6. De burgemeester weigert de vergunning voor een B- of C-evenement indien de organisator:

    1. onder curatele staat, of

    2. de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

  7. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:

    1. dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement;

    2. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd;

    3. de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd;

    4. het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden verricht of voortgezet;

    5. de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is;

    6. de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en betreffende hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet;

    7. tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen;

    8. het evenement niet past binnen het evenementenvergunningenbeleid en de locatieprofielen van Rotterdam;

    9. de organisator in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    10. de aangevraagde tijd en locatie reeds bezet of gereserveerd is voor een andere activiteit op of aan de weg of het openbare water;

    11. dit noodzakelijk is ter bescherming van gemeentelijke dan wel particuliere eigendommen, groenvoorzieningen of voorzieningen van openbaar nut.

  8. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

    1. de plaats en het tijdstip van het evenement;

    2. de benodigde technische voorzieningen;

    3. de inrichting van het evenemententerrein, waaronder de op- en afbouw van het evenemententerrein;

    4. het activiteitenprogramma;

    5. een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    6. het verkeersplan;

    7. het geluidsniveau van het programma tijdens het evenement;

    8. voorkomen van calamiteiten;

    9. de belangen bedoeld in artikel 1:8 en 2:25, zevende lid.

  9. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.

  10. De aanvraag om een evenementenvergunning bevat ten minste:

    1. de plaats waar het evenement wordt gehouden;

    2. de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt gehouden;

    3. een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers;

    4. de inrichting van het evenemententerrein, waaronder het op- en afbouwplan;

    5. het activiteitenprogramma;

    6. de maatregelen om mogelijke risico’s voor verstoring van de openbare orde en veiligheid te voorkomen;

    7. het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    8. de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen;

    9. een verkeers- en mobiliteitsplan wanneer sprake is van een impact op het verkeer.

  11. Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, dienen door de organisator onverwijld aan de burgemeester te worden gemeld.

  12. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  13. Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  14. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:25a

0-evenementen

  1. Het is verboden een 0-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen als:

    1. geen kennisgeving is gedaan overeenkomstig artikel 2.25a, vierde lid;

    2. wordt afgeweken van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens;

    3. in strijd wordt gehandeld met de door de burgemeester gegeven voorschriften of beperkingen; of

    4. de burgemeester het 0-evenement heeft verboden.

  2. Van een 0-evenement is sprake indien:

    1. het een evenement in de openlucht betreft;

    2. het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 250 personen;

    3. het een evenement is dat plaatsvindt tussen 9.00 en 23.00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13.00 uur en 23.00 uur;

    4. het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A);

    5. het niet plaatsvindt op de rijbaan, een fiets-, bromfiets- of parkeergelegenheid of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

    6. het geen extra politiecapaciteit vergt;

    7. slechts enkele kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van maximaal 25 m² per object;

    8. er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;

    9. er een organisator is.

  3. Van een 0-evenement is mede sprake indien het een huwelijksstoet van voertuigen op of aan de weg betreft.

  4. De organisator stelt de burgemeester ten minste vijf werkdagen voorafgaand aan het 0-evenement in kennis van het evenement door middel van het door de burgemeester vastgestelde kennisgevingsformulier.

  5. Toestemming voor het evenement is verleend indien:

    1. na ontvangst van het kennisgevingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en

    2. de organisator een ontvangstbevestiging, van het feit dat hij een kennisgeving heeft gedaan, kan tonen.

  6. De burgemeester kan naar aanleiding van de kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven in het belang van het verkeer, de veiligheid van personen of zaken, het voorkomen van hinder voor anderen dan de deelnemers en het voorkomen van strafbare feiten of wanordelijkheden.

Artikel 2:25b

Beslistermijn

  1. In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester:

    1. binnen vier weken voorafgaand aan het evenement, indien sprake is van een A-evenement; of

    2. binnen acht weken voorafgaand aan het evenement, indien sprake is vaneen A+-, B- of C-evenement.

  2. Aanvragen voor een evenement, als bedoeld in het eerste lid, worden behandeld op volgorde van binnenkomst. Het tijdstip van ontvangst van de leges is bepalend voor de rangschikking.

Artikel 2:26

Openbare orde en veiligheid

  1. De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens, en na een evenement alle aanwijzingen geven die hij noodzakelijk acht ter handhaving van de openbare orde. De burgemeester bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie, brandweer en hulpverlening.

  2. De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens, en na het evenement:

    1. alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde;

    2. het evenement onverwijld te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor;

    3. een aanwijzing van de burgemeester onverwijld op te volgen;

    4. ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde na een aanwijzing van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van de politie of brandweer geen publiek meer tot het evenement wordt toegelaten.

  3. Het is verboden bij een evenement:

    1. de openbare orde te verstoren;

    2. zich op of rondom het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen;

    3. al dan niet op of rondom het evenemententerrein, op of aan de weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren;

    4. zich op of rondom een evenemententerrein te begeven indien overeenkomstig het eerste, dan wel het tweede lid onder d opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten;

    5. een op grond van het eerste lid gegeven aanwijzing niet op te volgen.

  4. Een ieder is verplicht om ter ordelijk verloop van een evenement of bij enig voorval waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, een daartoe strekkende aanwijzing van een toezichthouder of een ambtenaar van de politie of brandweer zijn weg te vervolgen of aanwijzingen van andere aard in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen en goederen dan wel ter beperking van gemeen gevaar, onverwijld en stipt op te volgen.

Artikel 2.27

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. openbare inrichting:

    1. inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daarbij horende terrassen;

    2. voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18 voor zover daar regelmatig of op gezette tijden:

      1. gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken,

      2. amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van een speelautomatenhal, of

      3. gelegenheid wordt gegeven anders dan tegen betaling tot het verrichten van seksuele handelingen;

  2. exploitant:

    natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden met uitzondering van de bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 Alcoholwet;

  3. beheerder:

    natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting of het bedrijf;

  4. kortlopende exploitatievergunning:

    exploitatievergunning die wordt verleend voor een locatie of pand voor de duur van maximaal 6 maanden in een jaar;

  5. hoogdrempelige inrichting:

    inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen;

  6. laagdrempelige inrichting:

    inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen;

  7. kansspelautomaat:

    automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet op de kansspelen.

Artikel 2.28

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. In afwijking van artikel 1:7 wordt een exploitatievergunning verleend voor de duur van vijf jaar, tenzij bij de vergunning anders is bepaald.

  3. Een afschrift van de exploitatievergunning is in de openbare inrichting aanwezig.

  4. De exploitant en de beheerder voldoen aan de volgende eisen:

    1. zij hebben de leeftijd van achttien jaar bereikt of indien aan de inrichting een alcoholwetvergunning is verstrekt de leeftijd van eenentwintig jaar;

    2. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

    3. zij mogen niet onder curatele staan.

    4. zij beschikken over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne indien voor de inrichting een alcoholwetvergunning is verstrekt.

  5. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 weigert de burgemeester de exploitatievergunning of trekt deze in indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of het Activiteitenbesluit, zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    2. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een horecagebiedsplan en voor dat gebied of de locatie geen advies aan de adviescommissie, als bedoeld in artikel 2:28b, wordt of is gevraagd;

    3. de exploitant van de inrichting niet voldoet aan de in het vierde lid gestelde eisen;

  6. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen of schorsen, indien:

    1. in of vanuit de openbare inrichting een feit of feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting nadelig zal worden beïnvloed;

    2. door de exploitatie van de openbare inrichting de leefbaarheid in de omgeving van de openbare inrichting wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    3. de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    4. de exploitant of de beheerder zich schuldig maakt aan discriminatie;

    5. sprake is van een gewijzigde exploitatie, een wijziging in de exploitant of de beheerder en waarvoor geen melding als bedoeld in artikel 2:30c, derde lid, heeft plaatsgevonden;

    6. er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    7. de exploitant of de beheerder het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt;

    8. in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen of de in het exploitatieplan beschreven maatregelen;

    9. de exploitant niet beschikt over een geldige inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    10. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde of op de vergunning vermelde in overeenstemming is of zal zijn;

    11. de exploitatie strijdig is met of niet voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in het horeca(vergunningen)beleid;

    12. een beheerder van de inrichting niet voldoet aan de in het vierde lid gestelde eisen.

  7. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.28a

Vrijstelling

  1. De burgemeester kan:

    1. bepalen dat het exploiteren van categorieën van openbare inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de exploitatievergunningplicht wordt vrijgesteld; of

    2. voorschriften verbinden aan een vrijstelling als bedoeld onder a;

    3. een locatie, pand of gebied aanwijzen waar de vrijstelling bedoeld onder a niet geldt;

  2. De exploitatie van een openbare inrichting waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a, van toepassing is, geschiedt zodanig dat daardoor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2:28b

Horecagebiedsplan en adviescommissie

  1. Het college is bevoegd tot het vaststellen van horecagebiedsplannen.

  2. De burgemeester is met het oog op de vergunningverlening bevoegd voor een gebied een adviescommissie in te stellen.

Artikel 2:29

Openings- en sluitingstijden

  1. De burgemeester merkt een openbare inrichting in de exploitatievergunning aan als ochtendhoreca, daghoreca, avondhoreca of nachthoreca.

  2. Het is de exploitant of de beheerder verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op andere tijdstippen dan:

    1. van 04.00 uur tot 23.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als ochtendhoreca;

    2. van 07.00 uur tot 23.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als daghoreca;

    3. van 07.00 uur tot 01.00 uur en op vrijdag en zaterdag van 07.00 uur tot 03.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als avondhoreca;

    4. van 00.00 uur tot 24.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als nachthoreca.

  3. Het is de exploitant of de beheerder verboden de tot de openbare inrichting behorende terrassen voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op andere tijdstippen dan:

    1. van 07.00 uur tot 01.00 uur en op vrijdag en zaterdag van 07.00 uur tot 02.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als avondhoreca of nachthoreca.

    2. van 07.00 uur tot 23.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als ochtendhoreca of daghoreca.

  4. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar op vrijdag en zaterdag de sluitingstijd van een openbare inrichting die is aangemerkt als avondhoreca, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, 02.00 uur is.

  5. De burgemeester kan in de vergunning bepalen dat afwijkende openingstijden gelden.

  6. De exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een exploitatievergunning kan maximaal twintig festiviteiten per jaar houden, waarbij het de exploitant of beheerder is toegestaan de openbare inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tot 07.00 uur, mits de exploitant op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, voor de aanvang daarvan, doch uiterlijk om 22.00 uur, de burgemeester van de festiviteit kennis heeft gegeven.

  7. Het houden van een incidentele festiviteit als bedoeld in het zesde lid is niet mogelijk indien binnen de periode van zeven dagen voorafgaand aan de incidentele festiviteit in een straal van 100 meter rondom de inrichting reeds drie kennisgevingen voor het houden van incidentele festiviteiten zijn ontvangen.

  8. Kennisgeven vindt plaats volgens de procedure die op het daartoe door de burgemeester vastgestelde formulier is voorgeschreven.

  9. In afwijking van het zesde lid is het de exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een kortlopende exploitatievergunning niet toegestaan incidentele festiviteiten te houden.

  10. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of het woon- of leefklimaat voor een of meer openbare inrichtingen, voor categorieën van openbare inrichtingen of voor de tot de openbare inrichting behorende terrassen de krachtens het tweede tot en met het vijfde lid geldende openings- en sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden vaststellen.

  11. De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van een bijzondere omstandigheid, algemene ontheffing verlenen van de krachtens het tweede tot en met het vijfde lid geldende openings- en sluitingstijden voor een bepaald gebied of voor een of meer bepaalde openbare inrichtingen.

  12. De burgemeester kan een verbod opleggen een festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien naar zijn oordeel het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

    [NB: Artikel 2:29 lid 7 treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip.]

Artikel 2:30

Sluiting van openbare inrichtingen

  1. De burgemeester kan een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren:

    1. indien die openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;

    2. indien een van de in artikel 2:28, vijfde of zesde lid, genoemde situaties zich voordoet;

    3. indien die openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften;

    4. op grond van een van de in artikel 1:8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde belangen.

  2. Een besluit tot sluiting wordt op, in of nabij de toegang van de openbare inrichting aangebracht en blijft aangebracht zolang de sluiting van kracht is.

  3. Een sluiting kan op aanvraag van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de situatie die tot de sluiting heeft geleid, zal plaatsvinden.

  4. Het is de exploitant of de beheerder van de openbare inrichting verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten openbare inrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

Artikel 2:30a

Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

  1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder in de openbare inrichting aanwezig is.

  2. De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor door de burgemeester aangewezen openbare inrichtingen of categorieën van openbare inrichtingen.

Artikel 2:30b

Terrassen

  1. Ingeval van een exploitatievergunningaanvraag die tevens van toepassing is voor een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen, beslist de burgemeester – gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse hetgeen mede omvat de kwaliteit en het uiterlijk aanzien van de terrassen – tevens omtrent de ingebruikneming van de openbare weg.

  2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:6, 1:8 en 2:28, kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de openbare weg weigeren of verbieden indien het de verwachting is dat het gebruik:

    1. schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    3. afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.

  3. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, is de exploitant van de openbare inrichting verplicht dit binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, te verwijderen.

  4. Het is verboden dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het eerste lid is toegestaan.

  5. De exploitant of de beheerder is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de openbare inrichting, doch in ieder geval onverwijld op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van dat terras afkomstig, worden verwijderd.

Artikel 2:30c

Beëindiging exploitatie en melding gewijzigde omstandigheden

  1. De exploitatievergunning vervalt:

    1. zodra de exploitant dan wel de exploitanten de exploitatie van de openbare inrichting heeft dan wel hebben beëindigd;

    2. indien de openbare inrichting om andere redenen dan een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht gedurende twaalf aaneengesloten maanden niet wordt geëxploiteerd;

    3. indien een nieuwe exploitatievergunning voor de openbare inrichting is verleend.

  2. Uiterlijk binnen een week na de beëindiging van de exploitatie door de exploitant dan wel exploitanten dan wel een van de exploitanten, geeft deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  3. De exploitant meldt elke verandering waardoor zijn openbare inrichting niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 2:28, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan de burgemeester.

Artikel 2:30d

Wijziging beheer

  1. Indien een beheerder het beheer in de openbare inrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder kan aantonen dat de nieuwe beheerder op de exploitatievergunning is bijgeschreven.

  3. In afwijking van het tweede lid, kan het beheer tot op de aanvraag is beslist, tijdelijk worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder een bevestiging van de burgemeester kan tonen waaruit blijkt dat die nieuwe beheerder ten behoeve van bijschrijving op de exploitatievergunning is aangemeld.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

  1. Het is een ieder verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren, dan wel strafbare feiten te plegen.

  2. Het is bezoekers verboden zich te bevinden in een openbare inrichting na sluitingstijd.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Schakelbepaling

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw is als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:27 tot en met 2:30d en de daarop berustende bepalingen.

Artikel 2:34a

Begripsbepaling

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder paracommercieel rechtspersoon verstaan: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.

Artikel 2:34b

Regulering paracommerciële rechtspersonen

  1. Een paracommercieel rechtspersoon kan maximaal 12 bijeenkomsten per jaar organiseren van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  2. Artikel 2:29 eerste tot en met het vijde lid is overeenkomstig van toepassing.

  3. Artikel 2:29 zesde lid is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde bijeenkomsten.

  4. Een paracommercieel rechtspersoon doet ten minste vijf werkdagen voorafgaand aan de bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid hiervan melding aan de burgemeester.

  5. De burgemeester kan een paracommercieel rechtspersoon verbieden een bijeenkomst te organiseren als bedoeld in het eerste lid of aanvullende voorschriften stellen indien naar zijn oordeel:

  6. dit in het belang is van de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid, dan wel het woon- en leefklimaat;

  7. de bepalingen van het eerste tot en met het vierde lid worden overtreden;

  8. bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid bedrijfsmatig worden georganiseerd;

  9. artikel 20, eerste of tweede lid van de Alcoholwet is overtreden.

Artikel 2:34c

Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven

  1. 1.Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting die in de hoofdzaak in het gebruik is door of zich richt op:

  2. een jeugdorganisatie of –instelling;

  3. een sportorganisatie of –instelling;

  4. het verstrekken van geringe voedingsmiddelen;

  5. onderwijs;

  6. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken:

  7. op een kampeer- of caravanterrein;

  8. in een bioscoop.

  9. De burgemeester kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  10. De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

  11. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:35

Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen

  1. De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of de ruimte waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  6. Op aanvraag van een belanghebbende kan:

    1. een sluiting voor onbepaalde duur door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden;

    2. een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:36

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    2. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

    3. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

  3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    2. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    6. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    7. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.

  5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    2. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    3. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    4. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    5. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    6. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

    1. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

    2. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

    3. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of

    4. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

    5. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

    6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

    7. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

    8. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

    9. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

    10. de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.

  8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

  9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

  11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

  14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  15. Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:39

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. de wet: de Wet op de kansspelen;

  2. Speelautomatenbesluit: Speelautomatenbesluit 2000;

  3. speelautomaat: toestel als bedoeld in artikel 30, onder a, van de wet;

  4. behendigheidsautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de wet;

  5. kansspelautomaat: speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is;

  6. speelautomatenhal: inrichting als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid, onder b, van de wet;

  7. exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden;

  8. beheerder: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting of het bedrijf.

Artikel 2:39a

Speelautomatenhallen

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.

  2. De burgemeester kan maximaal 12 speelautomatenhallenvergunningen verlenen.

  3. Een vergunning voor een speelautomatenhal wordt verleend voor de duur van vijf jaar.

  4. Het is verboden een speelautomatenhal voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op andere tijdstippen dan:

    1. zondag tot en met donderdag van 07:00 uur tot 01:00 uur;

    2. vrijdag van 07:00 uur tot 03:00 uur;

    3. zaterdag van 07:00 uur tot 03:00 uur.

  5. Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden, die betrekking hebben op:

    1. de opening- en sluitingstijden;

    2. het toezicht in de speelautomatenhal;

    3. het aantal en type speelautomaten, alsmede het totaal aantal spelers bij volledige bezetting van de speelautomaten;

    4. de wijze van exploitatie van de hal.

  6. De burgemeester weigert de vergunning indien:

    1. het maximaal aantal vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend;

    2. de beheerder(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt of de exploitant of de beheerder van de speelautomatenhal niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 van het Speelautomatenbesluit;

    3. de speelautomatenhal niet uitsluitend of rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is;

    4. de speelautomatenhal is gelegen in de nabijheid van scholen, jeugd-, buurt- of clubhuizen;

    5. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelautomatenhal of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelautomatenhal;

    6. de exploitatie van de speelautomatenhal in strijd is met het omgevingsplan.

  7. De burgemeester kan de vergunning intrekken of wijzigen indien:

    1. de exploitatie van een speelautomatenhal om een andere reden dan een bestuurlijke maatregel voor een periode langer dan zes maanden is of wordt onderbroken;

    2. een van de in artikel 2:28, zesde lid, genoemde situaties zich voordoet;

    3. een exploitant komt te overlijden, dan wel indien een

exploitant de exploitatie van zijn speelautomatenhal beëindigt.

  1. De vergunning vervalt, indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand in werking is getreden.

  2. Artikel 2.30d is van overeenkomstige toepassing.

  3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40

Kansspelautomaten

1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.

2.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:40a

Gokken op de weg

Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze om geld of geldswaarde te spelen.

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Het is verboden een krachtens artikel 17 van de Woningwet gesloten gebouw, open erf of terrein te betreden.

  4. De in het eerste, tweede en derde lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning, het lokaal of het gebouw wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg, op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is of op een op de weg staande roerende zaak:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken of aan te doen plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. op een andere wijze enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op degene die krachtens wettelijk voorschrift bevoegd is tot het verrichten van de betrokken handeling of voor degene die handelt bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering onverwijld ter inzage af te geven.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap e.d.

  1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verf- of plakgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op de weg inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44a

Vervoer geprepareerde voorwerpen

  1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:45

Bescherming groenvoorzieningen

1.Het is, behoudens op door het college aan te wijzen plaatsen, verboden in een voor publiek toegankelijk gemeentelijk bos, park, plantsoen, groenstrook of duin:

    1. zich buiten de paden te bevinden, met uitzondering van de grasperken;

    2. zich met een rij- of trekdier buiten een ruiterpad te bevinden;

    3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:46

Rijden over bermen e.d.

  1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden:

    1. op of aan de weg te klimmen, te liggen of zich anderszins te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, tram, metro, abri, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt;

    3. zich op de weg binnen de voor een brug geplaatste afsluitingen te bevinden nadat een of meer van die afsluitingen zijn of worden gesloten, dan wel een afsluiting voor een brug te openen.

  2. Eenieder, die op een openbare plaats klimt, ligt of zich anderszins bevindt op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, tram, metro, abri, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair, zich op of aan de weg zodanig ophoudt dat aan weggebruikers of gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt, of zich op de weg binnen de voor een brug geplaatste afsluitingen bevindt nadat een of meer van die afsluitingen zijn of worden gesloten, dan wel een afsluiting voor een brug opent, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op degene die bevoegd is tot het verrichten van de betrokken handeling of voor degene die handelt bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47a

Verbod gebieden of locaties

  1. Het is verboden zich te bevinden in de door de burgemeester aangewezen gebieden of locaties.

  2. De burgemeester kan de gebieden of locaties aanwijzen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast of baldadigheid, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de volksgezondheid of de goede zeden.

  3. De burgemeester beperkt de werking van het verbod tot nader door hem aan te duiden perioden of tijden.

  4. Een gebied of locatie wordt aangewezen voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste drie maanden verlengen.

  5. Het verbod geldt niet voor:

    1. bewoners van woningen die zijn gelegen in het gebied of de locatie;

    2. de betrokken toezichthouders, hulpverlenende diensten en personen die in het aangewezen gebied of op de aangewezen locatie noodzakelijke werkzaamheden verrichten;

    3. door de burgemeester te bepalen categorieën van gevallen.

  6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 2:47b

Groepsfietsen

  1. Het is de bestuurder van een groepsfiets verboden zich met een groepsfiets te bevinden op door de burgemeester aangewezen gebieden, wegen of weggedeelten.

  2. Onder bestuurder van een groepsfiets wordt tevens verstaan de aanbieder of exploitant van een groepsfiets.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken.

  2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op de weg, die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor:

    1. een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:48b

Alcoholoverlastgebied

  1. De burgemeester kan een gebied aanwijzen als alcoholoverlastgebied indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige aantasting van de openbare orde, de leefomgeving of de volksgezondheid door het gebruik van alcohol in dat gebied.

  2. In een overlastgebied, zoals bedoeld in het eerste lid, kan de burgemeester:

    1. een verbod instellen om zwak-alcoholhoudende drank in of vanuit locaties als bedoeld in artikel 18, tweede lid, of artikel 19, tweede lid, onder a van de Alcoholwet bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken, of daar beperkingen aan stellen;

    2. een Alcoholwetvergunning, als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, weigeren indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige aantasting van de openbare orde, de leefomgeving of de volksgezondheid door het gebruik van alcohol in dat gebied.

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden hinder of overlast te veroorzaken, danwel zich zonder redelijk doel op te houden:

    1. in een portiek, bordes, poort, nis of op een trap;

    2. in, op of tegen een raamkozijn, gevel of drempel van een gebouw;

    3. in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling, winkelcentrum, abri of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50b

Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

[vervallen]

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53

Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

3 Het is verboden op of aan de openbare weg dan wel in een voor publiek toegankelijke ruimte een persoon heimelijk te filmen of heimelijk te fotograferen door middel van een technisch hulpmiddel wanneer dit een aantasting van de eerbaarheid of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert.

Artikel 2:57

Loslopende honden

  1. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

  2. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd;

    3. Buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd.

    4. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het in het eerste lid, onderdeel b, gestelde verbod geldt niet op door het college aangewezen plaatsen.

  3. De in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, gestelde verboden zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting.

  5. Degene die zich met een hond op of aan de weg bevindt, is verplicht in door het college aangewezen gebieden een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen van de hond. De eigenaar of houder van de hond is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

  6. Het college kan ontheffing verlenen van de in het vijfde lid gestelde verplichting.

  7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:59

Gevaarlijke en hinderlijke honden

  1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

  5. De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort door aanhoudend geblaf of gejank.

  6. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden een hond in strijd met een door de burgemeester opgelegd aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod op een openbare plaats of op het terrein van een ander te laten verblijven of lopen.

Artikel 2:60

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels;

    3. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:60a

Verbod voeren van dieren op openbare plaats of openbaar water

  1. Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water dieren te voeren.

  2. Dit verbod geldt niet:

    1. voor personen die dieren voeren in opdracht van de beheerder van de openbare plaats of het openbaar water;

    2. ten aanzien van door het college aan te wijzen categorieën van gevallen;

    3. in door het college aan te wijzen gebieden.

Artikel 2:65

Bedelarij

Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2:66

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: handelaar, als bedoeld in artikel 1 van het besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36).

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan voor daarbij aangegeven categorieën van goederen vrijstelling verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

  2. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

  3. van een verandering van de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde adressen;

  4. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

  5. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  6. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  7. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  8. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:69

Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

[gereserveerd]

Artikel 2:70

Handel in horecabedrijven

[Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:32]

Artikel 2:71

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik, niet zijnde fop- en schertsvuurwerk;

  2. exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico het vuurwerkverkooppunt wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden;

  3. beheerder: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in het vuurwerkverkooppunt;

  4. fop- en schertsvuurwerk: fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2:72

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van de burgemeester.

  2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor de duur van 5 jaar.

  3. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien:

    1. in of vanuit het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet of zich feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat in de omgeving van het vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed;

    2. de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het vuurwerkverkooppunt, dan wel toestaat of gedoogt dat in het vuurwerkverkooppunt strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed;

    3. de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. de vestiging of de exploitatie van het vuurwerkverkooppunt in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer;

    5. de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan zijn;

    6. geen melding is gedaan op grond van het Vuurwerkbesluit

    7. niet wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in het vergunningenbeleid.

  4. De vergunningaanvraag wordt ingediend door de exploitant van de inrichting.

  5. De vergunning is in de inrichting aanwezig.

  6. De vergunning vervalt:

    1. indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe vergunning in werking is getreden;

    2. zodra de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk wordt beëindigd.

  7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  1. Artikel 2:30d is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:73

Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Het is verboden om tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar consumentenvuurwerk tot ontbranding te brengen.

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan de weg in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:74b

Weggooien van spuiten e.d.

Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 154a van de Gemeentewet, besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:23, 2:23a, 2:26, tiende, elfde en twaalfde lid, 2:47, 2:48 en 2:73.

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, eveneens ten aanzien van voor een ieder toegankelijke parkeerterreinen.

Artikel 2:77a

Gebruik lasers

  1. Het is verboden op of aan de weg, of op een openbare plaats zodanig met laserlicht te schijnen dat daardoor de openbare orde of veiligheid wordt verstoord of overlast wordt veroorzaakt.

  2. Het is verboden op de weg, een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, lasers, laserpennen of dergelijke apparatuur in bezit te hebben of met zich mee te voeren, anders dan voor professioneel gebruik.

Artikel 2:77b

Wijkverbod

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstoren de handelingen verricht een verbod opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen gebied gedurende een in het verbod neergelegde periode.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een wijkverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een wijkverbod opleggen om zich gedurende een in dat wijkverbod genoemd tijdvak van ten hoogste 30 dagen te bevinden op in dat wijkverbod aangewezen gebied.

  3. Een wijkverbod krachtens het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien strafbare feiten of andere openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder wijkverbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.

  4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde wijkverboden, indien dat in het verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd wijkverbod.

Artikel 2:78

Aanpak woonoverlast

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht, kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

Artikel 2:81

Aanwijzing vergunningplichtige woningverhuur

[vervallen]

Artikel 3:1

Afbakening

De artikelen 1:2, 1:3 en 1:5 tot en met 1:7a zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2

Begripsbepaling

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

  • beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

  • bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

  • escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

  • exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;

  • klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

  • prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  • prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  • prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

  • raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;

  • seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;

  • seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

  • werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.

Artikel 3:2a

Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen omtrent de uitoefening van seksbedrijven.

Artikel 3:3

Vergunning

  1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning.

  2. Het bevoegd bestuursorgaan beslist binnen twaalf weken op de aanvraag om een vergunning.

  3. De in het tweede lid gestelde termijn kan door het bevoegd bestuursorgaan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

  4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  5. Een vergunning wordt voor één seksinrichting verleend.

  6. De vergunning voor een seksbedrijf wordt verleend voor de duur van vijf jaar tenzij in de vergunning anders staat vermeld. De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld en is niet overdraagbaar.

  7. De vergunning kan worden verlengd.

Artikel 3:4

Concentratie seksbedrijven

Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard.

Artikel 3:5

0-beleid raamprostitutiebedrijven en maximering aantal seksbedrijven

  1. Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.

  2. Het college kan een maximum stellen aan het aantal vergunningen voor een seksbedrijf dat kan worden verleend. Hierbij kan worden bepaald dat een maximum slechts geldt voor seksbedrijven van een nader aangewezen aard of in nader aangewezen delen van de gemeente.

Artikel 3:6

Aanvraag

  1. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier.

  2. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke activiteit de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens van de exploitant;

    2. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    3. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

    4. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    5. het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

    6. het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    7. een geldig identiteitsbewijs van de exploitant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;

    8. indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

    9. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

    10. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;

    11. indien van toepassing, de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

    12. indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding waarop duidelijk is weergegeven het gebruik en de afmetingen van de aanwezige ruimten alsmede de brandpreventieve voorzieningen;

    13. indien van toepassing, het aantal voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees.

  3. Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.

  4. Als het bevoegde bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 3:7

Weigeringsgronden

  1. Een vergunning wordt geweigerd indien:

    1. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

    2. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;

    3. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

    5. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    6. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

    7. de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

    8. de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500,- euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      1. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen;

      2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

      3. artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;

      4. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

    9. er een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al bereikt is;

    10. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

  2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijk gesteld:

    1. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

    2. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375,- euro bedraagt.

  3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

  5. Een vergunning kan worden geweigerd:

    1. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, onder a tot en met d, of tweede lid, onder a tot en met g, is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

    2. indien niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    3. indien de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

    4. indien het bedrijfsplan niet voldoet aan het bepaalde bij artikel 3:15, eerste en tweede lid;

    5. indien onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:16 gestelde verplichtingen zal naleven;

    6. indien de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het seksbedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    7. indien de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

    8. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 3:8

Eisen met betrekking tot vergunning

  1. De vergunning vermeldt in ieder geval:

    1. de exploitant;

    2. de beheerder;

    3. voor welke activiteit de vergunning is verleend;

    4. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    5. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    6. het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend;

    7. de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

    8. de geldigheidsduur van de vergunning;

    9. het nummer van de vergunning.

  2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend.

  3. Het is verboden te handelen in strijd met het tweede lid.

Artikel 3:9

Intrekkingsgronden

  1. De vergunning wordt ingetrokken indien:

    1. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

    2. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

    3. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h;

    4. de vergunninghouder dat verzoekt;

    5. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

  2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken:

    1. Indien is gehandeld in strijd met de artikelen 3.7, vijfde lid, onder h, 3:10, 3:13, 3:14, 3:15 of 3:16 eerste lid en tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder i;

    2. indien is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    3. indien in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

    4. indien een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

    5. indien is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk van deze verordening gestelde bepalingen;

    6. indien is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

    7. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    8. indien de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefomgeving nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting;

    9. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid of de woon- en leefomgeving;

    10. indien de veiligheid of de gezondheid van werkzame personen of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het seksbedrijf;

    11. indien de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het seksbedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    12. indien de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

    13. indien er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

    14. indien gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:9a

Sluiting van een seksinrichting

  1. Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren, indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning danwel een van de in artikel 3:9 tweede lid onder h, i en j, genoemde situaties zich voor doet.

  2. Het bevoegde bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  4. Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  6. Een sluiting kan op aanvraag van een belanghebbende door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de situatie die tot de sluiting heeft geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 3:10

Melding gewijzigde omstandigheden

De exploitant meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegd bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3:11

Verlenging vergunning

Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:6, 3:7, 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegd bestuursorgaan al de beschikking heeft niet nogmaals overlegd dienen te worden.

Artikel 3:12

Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang

  1. Het is de exploitant of de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 1.00 en 7.00 uur en in het weekeinde (zaterdagochtend en zondagochtend) tussen 2.00 en 7.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.

  2. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor één of meer seksinrichtingen of categorieën van seksinrichtingen de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken dan wel andere sluitingstijden vaststellen.

  3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn.

  4. Het is de exploitant of de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

Artikel 3:13

Adverteren

Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:

  1. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

  2. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld in het eerste lid;

  3. als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Artikel 3:14

Leeftijd en verblijfstitel prostituees

Het is een exploitant of de beheerder verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:

  1. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

  2. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 3:15

Bedrijfsplan

  1. Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:

    1. op het gebied van hygiëne;

    2. ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

    3. ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

    4. ter voorkoming van strafbare feiten.

  2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:

    1. de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

    2. inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;

    3. in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

    4. in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

    5. de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

    6. de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

    7. de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

    8. de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

    9. de prostituee niet verplicht kan worden om zonder condoom te werken;

    10. de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

    11. aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

    12. de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

    13. de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

    14. de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

    15. de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;

    16. er voldoende toezicht plaatsvindt op het prostitutiebedrijf;

    17. de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

  3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

  4. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

  5. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

  6. Het is verboden te handelen in strijd met het eerste, vierde en vijfde lid.

Artikel 3:16

Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf

  1. De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat de seksinrichting van een prostitutiebedrijf daadwerkelijk is geopend. De exploitant of beheerder van een escortbedrijf houdt effectief toezicht gedurende de uren dat het escortbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

  2. De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:

    1. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

    2. er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval;

      1. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;

      2. de verhuuradministratie;

      3. de werkroosters van de beheerders;

    3. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

    4. medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

    5. dat onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

  3. Het is verboden te handelen in strijd met het eerste en tweede lid.

Artikel 3:17

Verbod raam- en straatprostitutie

  1. Het is verboden:

  2. door woorden, houding, gebaren of andere feitelijke gedragingen op of aan de weg, op of in publiek toegankelijke plaatsen, in deuropeningen, dan wel binnenshuis zichtbaar voor publiek, iemand tot prostitutie uitnodigen of uitlokken, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking in te gaan;

  3. op de weg ontuchtige handelingen te verrichten indien dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.

Artikel 3:18

Overgangsbepaling

  1. De verbodsbepaling bedoeld in artikel 3:14, onder a, is niet van toepassing ten aanzien van personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aantoonbaar werkzaam zijn als prostituee voor of bij een prostitutiebedrijf.

  2. Prostitutiebedrijven die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening beschikken over een geldige vergunning, dienen uiterlijk met ingang van 1 juli 2016 of bij de verlenging van hun vergunning als dat eerder is, aan de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 3:15 en 3:16, tweede lid, onder b, te voldoen.

  3. Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de APV verleende en nog geldige vergunning, geldt na de inwerkingtreding van deze verordening als een vergunning krachtens hoofdstuk 3 van deze verordening.

  4. Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening op grond van artikel 2:28, eerste lid, van de APV juncto artikel 2:27, lid a, sub 2, onder iii, van de APV verleende en nog geldige vergunning voor een inrichting waarvoor een vergunning op grond van hoofdstuk 3 vereist is, geldt na de inwerkingtreding van de verordening als een vergunning krachtens hoofdstuk 3.

Artikel 3.19

Overgangsbepaling bestemming bestaande seksinrichtingen

Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, van een bestaande seksinrichting, is het bepaalde in artikel 3:7, eerste lid, onder j, niet van toepassing.

Artikel 4:1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  2. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het besluit;

  3. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  4. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  5. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  6. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De artikelen 2:17, 2:17a, 2:19, 2:19a en 2:20 van het besluit gelden niet voor ten hoogste zeven door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de door hem aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. Artikel 3.148 van het besluit geldt niet voor ten hoogste zeven door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing krachtens het eerste of tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.

  4. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit onverwijld als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

Artikel 4:3

Kennisgeving incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2:17, 2:17a, 2:19, 2:19a en 2:20 van het besluit met maximaal 15 dB(A) worden verhoogd, mits de houder van de inrichting ten minste 48 uur voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 10 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148 van het besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste 48 uur voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

  4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, uiterlijk 48 uur voor aanvang van de festiviteit is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2:17, 2:19, 2:19a en 2:20 van het besluit – uiterlijk om 24.00 uur beëindigd met uitzondering van de vrijdag en de zaterdag. Hiervoor geldt dat het ten gehore brengen van extra muziek in de nacht van vrijdag op zaterdag en de nacht van zaterdag op zondag uiterlijk om 02.00 uur wordt beëindigd.

  7. De ontheffing van de geluidsnorm, bedoeld in het eerste lid, geldt ten hoogste 5 keer per jaar voor de buitenruimte van de inrichting, mits tevens toestemming is verleend voor het houden van een evenement. In afwijking van het eerste en zesde lid gelden in dat geval de geluidsnormen en tijden zoals bepaald in de toestemming voor het evenement.

  8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:4

Verboden incidentele festiviteiten

Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.

Artikel 4:4a

Geluidsplafond

Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidhinder bij collectieve festiviteiten.

Artikel 4:5

(Geluid)hinder door onversterkte muziek vanuit inrichtingen

In afwijking van artikel 2.18, eerste lid, onder f, van het besluit wordt onversterkte muziek tussen 23 uur en 7 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een openbare inrichting.

Artikel 4:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen, al dan niet met een voer- of vaartuig te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod een ontheffing verlenen.

  3. Het verbod geldt niet voor zover hierin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, of de provinciale omgevingsverordening.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:6a

Mosquito

  1. In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.

Artikel 4:6b

Aanwijzen concentratiegebied voor horeca-inrichtingen

Het college kan delen van de gemeente aanwijzen als concentratiegebied voor horeca-inrichtingen als bedoeld in artikel 2:19a van het besluit.

Artikel 4:7

Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg of in openbaar water zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

De beheerder van een sloot, ander water, niet-openbaar riool of put buiten een gebouw zorgt dat deze zich niet bevinden in een toestand die gevaar kan veroorzaken voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van dat gebouw of voor anderen.

Artikel 4:9a

Gevelreiniging en -bewerking

  1. Het is verboden in de openlucht gevels te reinigen of te bewerken.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    1. de werkzaamheden goed afgeschermd plaatsvinden en op een zodanige wijze dat voor omwonenden, voorbijgangers of voor de omgeving geen schade of overmatige hinder wordt veroorzaakt;

    2. de werkzaamheden plaatsvinden van maandag tot en met zaterdag tussen 7.00 uur en 19.00 uur, voor zover dit niet een erkende feestdag betreft.

Artikel 4:9b

Verbod oplaten ballonnen

  1. In dit artikel wordt onder ballon mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, sfeerballon, geluks-lampion, Thaise wensballon, papierballon en geluksballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur of gas opstijgt en zonder sturing wegdrijft.

  2. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen of te doen laten opstijgen.

  3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op een luchtballon, zijnde een luchtvaartuig, of een ballon ten behoeve van wetenschappelijk of meteorologisch onderzoek.

Artikel 4:10 Begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. boom: houtachtig, overblijvend gewas dat één- of meerstammig is en niet onderdeel uitmaakt van overige houtopstand zoals bedoeld in onderdeel e van dit artikel;

    2. bosplantsoen: al dan niet aangeplante bosachtige elementen, inclusief kruidengroei, grotendeels bestaande uit inheemse houtachtige soorten bomen en struiken;

    3. houtopstand: boom of overige houtopstand;;

    4. hakhout: boom of bomen of boomvormers die, na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

    5. overige houtopstand: hakhout, houtwal, struweel en lintbeplanting in de vorm van bosheesters en beplanting van bosplantsoen, al dan niet met boomvormers, niet zijnde een boom, zoals bedoeld in onderdeel a van dit artikel;

    6. iepenspintkever: insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.), Scolytus multistriatus (Marsh) of Scolytus pygmaeus;

    7. iepziekte: aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

    8. knotten: tot op de oude snoeiplaats verwijderen van aangegroeid takhout bij als cultuurboom gekweekte knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen

  2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan:

    1. omzagen;

    2. rooien;

    3. knotten of kandelaberen;

    4. het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

    5. verplanten, met uitzondering van het ter plaatse lichten of laten zakken van bomen binnen een straal van één meter.

  3. In afwijking van artikel 1:1 wordt in deze afdeling en de daarop berustende bepalingen onder bebouwde kom verstaan het grondgebied van de gemeente, met uitzondering van de gebieden met CBS-aanduiding 06-Botlek, 07-Europoort, 08-Maasvlakte en Maasvlakte 2.

  4. De bebouwde kom, bedoeld in het derde lid, wordt tevens aangewezen als bebouwde kom voor de toepassing van de Wet natuurbescherming, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 4:11

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

  2. een boom te vellen of te doen vellen indien de stamomtrek, of bij meerstammigheid de omtrek van de dikste stam, minimaal 50 centimeter is op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld;

  3. een overige houtopstand te vellen of te doen vellen.

  4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    1. bomen waarvan een natuurlijk persoon de zakelijk gerechtigde is, tenzij sprake is van een boom met een stamomtrek van minimaal 361 centimeter gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld;

    2. bomen die behoren tot het populieren- of wilgengeslacht, als wegbeplantingen en éénrijige wegbeplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot;

    3. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

    4. fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    5. kweekgoed;

    6. houtopstand die gelegen is buiten de bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:

1° geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, of

2° bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.

  1. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor:

    1. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het college of het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:11g en 4:11j;

    2. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    3. het dunnen van een bosplantsoen;

    4. het direct vellen van een houtopstand indien hiervoor door de burgemeester mondeling toestemming is gegeven vanwege acuut gevaar voor veiligheid van personen en zaken. De mondelinge toestemming wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de aanvrager alsmede belanghebbenden toegezonden.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor knotten of kandelaberen', indien:

    1. eerder een vergunning als bedoeld in het eerste lid voor het knotten of kandelaberen is verleend;

    2. het knotten of kandelaberen een periodieke handeling betreft die voortvloeit uit of samenhangt met de eerder verleende vergunning; en

    3. de handeling wordt uitgevoerd met het doel de boom in een bestaande, specifieke cultuurvorm te handhaven.

Artikel 4:11a

Aanvraag omgevingsvergunning

De vergunning wordt aangevraagd door degene, die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken, of diens gevolmachtigde.

Artikel 4:11b

Weigering/verlening vergunning

  1. Het bevoegd gezag verleent de vergunning, indien deze wordt gevraagd teneinde te voldoen:

    1. aan de verplichting ingevolge het bepaalde in Boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek;

    2. aan de wettelijke zorgplicht van de aanvrager;

    3. aan de op grond van de artikelen 37 en 38 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) vastgestelde en voor Nederland geldende eisen.

  2. Het bevoegd gezag betrekt bij zijn besluit de toepasselijke gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.

  3. Het bevoegd gezag kan bij zijn besluit tevens de overeenkomstig artikel 4:11i vastgestelde waarde van de betrokken boom of bomen betrekken.

  4. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorwaarden verlenen in het belang van:

    1. natuur- en milieuwaarden;

    2. landschappelijke waarden;

    3. cultuurhistorische waarden;

    4. waarden van stads- en dorpsschoon;

    5. waarden voor recreatie en leefbaarheid.

  5. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. De voorschriften kunnen inhouden dat binnen een daarbij aangegeven termijn en overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen vervangende beplanting moet worden aangebracht.

  6. Indien de aanvraag voor een kapvergunning betrekking heeft op een gemeentelijke boom die voldoet aan de criteria genoemd in de bijlage van de vigerende Bomenstructuurvisie (BSV), en daardoor als monumentale boom is geïdentificeerd, wordt de vergunning niet verleend, behoudens:

    1. het bepaalde in het eerste lid;

    2. het bepaalde in artikel 4:11, derde lid, onderdeel a;

    3. de uitvoering van majeure publieke werken; of

    4. de uitvoering van door het college aangewezen stedelijke projecten van groot openbaar belang.

  7. Het college gaat niet eerder tot de aanwijzing, bedoeld in het vorige lid, onderdeel d, over dan vier weken nadat het de raad heeft geïnformeerd over de voorgenomen aanwijzing.

Artikel 4:11c

Afstand van de erfgrenslijn

  1. Het begrip “boom”, bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op dit artikel.

  2. De afstand bedoeld in boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek wordt, in afwijking van het eerste lid van dit artikel, vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.

Artikel 4:11e

Intrekken vergunning

Het bevoegd gezag kan de kapvergunning intrekken indien blijkt dat daarvan binnen één jaar na afgifte geen gebruik is gemaakt.

Artikel 4:11f

Bijzondere vergunningsvoorwaarden

  1. Het bevoegd gezag kan aan een vergunning de voorwaarde verbinden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien uit een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen- of landschapsplan blijkt dat de te vellen houtopstand als waardevol moet worden beschouwd, wordt altijd een herplantplicht opgelegd.

  2. Wordt een voorwaarde als bedoeld in het eerste lid aan de vergunning verbonden, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Indien uitvoering van een herplantplicht niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het vellen van de houtopstand kan het college aan de ontheffing of vergunning het voorschrift verbinden, dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een bedrag gelijk aan de herplantwaarde in het bomenfonds is gestort.

Artikel 4:11g

Herplant- of instandhoudingsplicht

  1. Indien houtopstand waarvoor het in artikel 4:11 gestelde verbod geldt zonder omgevingsvergunning is geveld, of op andere wijze is tenietgegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen vervangende houtopstand op eigen terrein aan te brengen overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn.

  2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Indien houtopstand waarvoor het in artikel 4:11 gestelde verbod geldt in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  4. Ook de rechtsopvolger van degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd is verplicht daaraan te voldoen.

  5. Een verplichting krachtens dit artikel kan voorschriften inhouden met betrekking tot bomen met een geringere stamomvang dan in artikel 4:10 is aangegeven.

Artikel 4:11h

Schadevergoeding

Voor zover een zakelijk gerechtigde of degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is om over de houtopstand te beschikken, door de toepassing van artikel 4:11 of artikel 4:11g schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het college of het bevoegd gezag hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Artikel 4:11i

Waarde- en schadebepaling aan bomen

  1. De bepaling van de waarde van bomen en de schade aan bomen vindt plaats volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging Taxateurs van Bomen.

  2. Het college kan regels stellen waarbij van deze richtlijnen wordt afgeweken.

Artikel 4:11j

Bestrijding iepziekte

  1. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college of het bevoegd gezag gevaar kunnen veroorzaken voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt, indien hij daartoe door het college of het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

    2. de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;

    3. de niet-ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, met uitzondering van geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter.

  3. Het college of het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:11k

Voorwerpen aan/in houtopstand

Het is verboden zonder vergunning van het college aan of in houtopstand voorwerpen aan te brengen.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.

  1. Het is verboden op een door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen plaats die is gelegen buiten een inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht en buiten de weg, een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen, vaartuigen, of andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebruikte voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, verzamelingen ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:14

Stankoverlast door gebruik van meststoffen

[gereserveerd]

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is, indien:

    1. de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht;

    2. de constructieve - of brandveiligheid in gevaar wordt gebracht;

    3. hinder, overlast of gevaar voor de omgeving wordt veroorzaakt;

    4. de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving in strijd is met redelijke eisen van welstand;

    5. overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak ontstaat; of

    6. de handelsreclame in strijd is met de openbare orde of de goede zeden.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor onverlichte:

    1. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;

    2. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;

    3. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m² en waarvan de langste zijde korter dan 1 meter is, die betrekking hebben op een openbare verkoping of een aanbieding ten verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben en voor zover zij geplaatst zijn op, aan of bij de onroerende zaak;

    4. opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, zomede op naamborden, met dien verstande dat indien de onroerende zaak die gelegen is in: 1˚een door de raad aangewezen reclame-arme zone: de opschriften, aankondigingen of naamborden gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m² en geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 1,00 meter en zijn aangebracht op of aan de onroerende zaak;

2˚ een door de raad aangewezen reclamezone: de opschriften, aankondigingen of naamborden tezamen niet groter dan 1,0 m² zijn en geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 2,00 meter en zijn aangebracht op of aan de onroerende zaak;

    1. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden op de bouwplaats, kleiner dan 6,0 m² en waarvan de langste zijde korter is dan 3,0 m, bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

    2. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.

  • Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels geven omtrent:

    1. de veiligheid van het verkeer, bedoeld in het eerste lid;

    2. de constructieve - en brandveiligheid, bedoeld in het eerste lid;

    3. hinder, overlast of gevaar voor de omgeving als bedoeld in het eerste lid;

    4. redelijke eisen van welstand als bedoeld in het eerste lid; of

    5. overlast voor gebruikers als bedoeld in het eerste lid.

  • Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

  • Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:17

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is, dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt, voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

    1. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

    2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

    3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

      1. de bescherming van natuur en landschap; of

      2. de bescherming van een stadsgezicht.

    4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing in door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.

Artikel 5:1

Begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    • parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    • voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.

  2. In afwijking van artikel 1:1 wordt in deze afdeling verstaan onder weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:2

Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

  1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden binnen een door het college aangewezen gebied of periode:

    1. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, of

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:

    1. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    2. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet langer dan een half uur vergen, gedurende die werkzaamheden;

    2. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig:

  1. waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, of

  2. dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig wettelijk verplicht kenteken,

langer dan op zeven achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5

Voertuigwrakken

  1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6

Caravans, aanhangwagens e.d.

  1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, camper, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, te parkeren:

    1. op door het college met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen wegen of weggedeelten, of

    2. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op door het college met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte aangewezen wegen of weggedeelten.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Artikel 5:7

Parkeren van reclamevoertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:8

Parkeren van grote voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren:

    1. op een door het college met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaats;

    2. op de weg bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op door het college met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte aangewezen wegen of weggedeelten.

  3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor een voertuig waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 5:21d.

  4. Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet gedurende het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

  5. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 8 uur tot 18 uur.

  6. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder a, en tweede lid gestelde verboden.

  7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:9

Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

[vervallen]

Artikel 5:10

Overlastgevend parkeren van voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan geluidshinder of stankoverlast ondervinden.

  2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 5:11

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  2. Het verbod geldt niet:

    1. op de paden;

    2. voor voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    3. voor voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:12

Overlastgevend stallen en hinderlijk parkeren van (brom)fietsen, fietswrakken

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen:

    1. onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan, of

    2. langer dan vier weken onbeheerd te laten staan.

  2. Het is verboden op of aan de weg fietsen of bromfietsen te parkeren:

    1. op zodanige wijze voor of tegen een gebouw, dat daardoor voor een bewoner of gebruiker van dat gebouw de toegang of het uitzicht wordt belemmerd;

    2. op zodanige wijze op een voetpad of trottoir, dat daardoor de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;

    3. op geleidelijnen die op de weg zijn aangebracht ten behoeve van visueel gehandicapten;

    4. op zodanige wijze dat daardoor het in- en uitstappen bij tram, bus taxi of gehandicaptenplaats gehinderd of belemmerd wordt;

    5. op zodanige wijze dat daardoor de functie van straatmeubilair gehinderd of belemmerd wordt;

    6. tegen monumenten of gedenktekens; of

    7. op een zodanige wijze dat daardoor de doorgang en opbouw op een markt wordt gehinderd of belemmerd.

  3. Het is verboden op of aan de weg een bromfiets of fiets te plaatsen of te hebben, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.

  4. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van ernstige overlast aangewezen wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen langer dan twee weken onbeheerd te laten staan.

Artikel 5:12a

Vergunning deelmobiliteit

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig voertuigen, met inbegrip van kleine wagens als bedoeld in artikel 5:1, voor gebruik door derden op de weg te plaatsen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen categorieën voertuigen.

  3. Het college verleent geen vergunning voor het plaatsen van voertuigen met een verbrandingsmotor.

  4. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen, schorsen of hieraan voorschriften of beperkingen verbinden, indien:

    1. het ter gebruik aanbieden van de voertuigen:

      1. gevaar oplevert voor de veiligheid van personen, goederen of de verkeersveiligheid;

      2. hinder of overlast veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat;

      3. een nadelige invloed heeft op het milieu;

      4. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; of

      5. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;

    2. in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    3. niet wordt voldaan aan het exploitatieplan;

    4. niet wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels of beleidsregels;

    5. structureel minder voertuigen worden geplaatst dan toegestaan op grond van de vergunning;

    6. de aanvrager verweven is met een andere onderneming die voor dezelfde periode en voor dezelfde voertuigen een vergunning heeft aangevraagd.

  5. Het college weigert de aanvraag voor een vergunning indien:

    1. de voertuigen waarvoor een vergunning is aangevraagd niet voldoen aan een bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde eis voor die betreffende voertuigen;

    2. de aanvrager op grond van de van toepassing zijnde verdelingsprocedure niet in aanmerking komt voor een vergunning;

    3. uit de statuten en het feitelijk handelen van de aanvrager blijkt dat de aanvrager het bedrijfsmatig aanbieden van voertuigen voor gebruik door derden niet als doelstelling heeft.

  6. Het college kan nadere regels stellen die zien op:

    1. het stellen van indieningsvereisten voor de aanvraag voor een vergunning;

    2. het vaststellen van een voertuigenplafond per categorie of type voertuigen;

    3. het tijdelijk kunnen afwijken van het voertuigenplafond zodat tijdelijk meer voertuigen door bestaande aanbieders kunnen worden geëxploiteerd;

    4. het stellen van voorwaarden waaronder een vergunning wordt verleend;

    5. de wijze van verdeling van de vergunningen alsmede de toetsingscriteria hiertoe;

    6. het vaststellen van een tijdvak waarbinnen een vergunningaanvraag kan worden ingediend;

    7. het vaststellen van categorieën van voertuigen of voertuigtypen welke in aanmerking komen voor een vergunning.

  7. In afwijking van artikel 1:7 verleent het college de vergunning voor de duur van vijf jaar, tenzij het college bij de vergunning anders bepaalt.

  8. Het college besluit op een aanvraag voor een vergunning binnen 16 weken na de dag van ontvangst ervan. Indien er sprake is van een tijdvak waarbinnen de vergunningaanvraag dient te zijn ingediend, besluit het college binnen 16 weken na het sluiten van die termijn. Het college kan de beslissing op een aanvraag voor ten hoogste 8 weken verdagen.

  9. Als voor het uitvoeren van openbare werken, in het kader van de openbare orde of veiligheid, in het geval van calamiteiten of evenementen of om enigerlei andere reden verwijdering van de voertuigen van een openbare plaats, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, noodzakelijk is, is vergunninghouder verplicht de deelvoertuigen binnen de door het bevoegde gezag gestelde termijn, te verwijderen en verwijderd te houden.

  10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 5:13

Inzameling van geld of goederen

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

  2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

  4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    1. instellingen die zijn vermeld op het landelijke collecte rooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen in de aan hen door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode;

    2. in de gemeente Rotterdam gevestigde verenigingen en stichtingen, die krachtens statuten en activiteiten een doel nastreven dat van algemeen belang is en die geld of goederen inzamelen buiten de periodes die door het Centraal Bureau Fondsenwerving zijn toegewezen aan gecertificeerde instellingen en zich hebben gemeld bij de gemeente.

  5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:14

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet of artikel 2:24, tweede lid, onderdelen a en d;

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15

Ventverbod

  1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  2. Het is verboden te venten op zondagen en maandag tot en met zaterdag tussen 21.00 uur en 09.00 uur.

  3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op nader door het college aan te wijzen wegen, dagen of uren. Bij de aanwijzing van wegen, dagen of uren kan het college bepalen dat het verbod niet dan wel uitsluitend geldt voor het venten van producten of diensten die vallen in door hem aangewezen productcategorieën of categorieën van diensten.

  4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:16

Vrijheid van meningsuiting

1.Het verbod, bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, geldt niet voor:

  1. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet;

  2. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

  3. het te koop aanbieden, afleveren of verkopen van goederen op een door het college ingestelde markt, op een evenement waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 2:25, of op een standplaats waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 5:18.

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:17

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  1. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet;

    2. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:25.

Artikel 5:18

Standplaatsen

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Een standplaatsvergunning wordt verleend voor de duur van vijf jaar.

  3. Een vergunning wordt alleen verleend aan natuurlijke personen.

  4. Per persoon wordt voor dezelfde periode niet meer dan één vergunning verleend.

  5. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:18a

Weigerings- en intrekkingsgronden

Onverminderd artikel 1:8 kan het college een standplaatsvergunning weigeren of intrekken:

  1. in het belang van de brandveiligheid;

  2. in het belang van de verkeersvrijheid of verkeersveiligheid;

  3. wegens strijd met het omgevingsplan;

  4. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente;

  5. gelet op de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse;

  6. gelet op de grootte of het uiterlijk van de verkoopinrichting;

  7. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

Artikel 5:21

Aanhoudingsplicht

[gereserveerd]

Artikel 5:21a Standplaatsvrije gebieden

  1. Het college kan standplaatsvrije gebieden aanwijzen waar geen standplaatsvergunning wordt verleend.

  2. Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats op een oppervlakte van niet meer dan 2 m² in een krachtens het eerste lid aangewezen gebied met een mobiele verkoopinrichting met een inhoud van niet meer dan 2 m3 voor de verkoop van goederen.

  3. Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats in een krachtens het eerste lid aangewezen gebied voor de verkoop van:

    1. oliebollen van 15 oktober tot en met 31 januari;

    2. kerstbomen van 6 december tot en met 24 december;

    3. haring vanaf vlaggetjesdag tot 1 oktober;

    4. ijs van 1 april tot en met 30 september;

    5. verse sappen van 1 januari tot en met 31 december; of

    6. strandstoelen van 1 april tot en met 30 september.

  4. Op de ontheffingen is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  5. Artikel 5:18, derde en vierde lid, en artikel 5:18a zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:21b

Overgangsrecht standplaatsvrije gebieden

  1. Indien krachtens artikel 5:21a, eerste lid, een standplaatsvrij gebied wordt aangewezen, blijven de rechten van de houder van een eerder verleende standplaatsvergunning gedurende twee jaar na die aanwijzing onverlet, tenzij de vergunning op de gronden genoemd in artikel 5:18a eerder wordt geweigerd of is ingetrokken.

  2. In een krachtens artikel 5:21a, eerste lid, aangewezen standplaatsvrij gebied kunnen door het college locaties worden aangewezen waarbinnen voor de verkoop van goederen, aan de houder voor wie ten tijde van het nemen van een aanwijzingsbesluit een standplaatsvergunning gold, ontheffing kan worden verleend voor het innemen van een standplaats met een mobiele verkoopinrichting van niet meer dan 4 m², met dien verstande dat de inhoud niet meer dan 10 m³ mag bedragen.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:21c

Inneming en ontruiming standplaats

  1. De vergunninghouder kan de standplaats uiterlijk een uur voor aanvang van de verkooptijd innemen en is verplicht de standplaats volledig te hebben ontruimd binnen een uur nadat de verkoop is beëindigd.

  2. Het college kan voor standplaatsen voor de verkoop van oliebollen, kerstbomen of haring ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  3. Indien de houder van een standplaatsvergunning een standplaats inneemt op een locatie waar tevens een B- of C-evenement, genoemd in het door het college op grond van artikel 2:24a vastgestelde evenementenoverzicht, plaatsvindt, is de houder van de standplaatsvergunning verplicht de mobiele verkoopinrichting op aangeven van het bevoegd gezag gedurende het evenement en gedurende de opbouw en afbraak van de bij het evenement behorende voorzieningen te verplaatsen naar een door het bevoegd gezag aangewezen locatie.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:21d

Standplaatsen grote voertuigen

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college met een voertuig dat een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, standplaats op een openbare en in de open lucht gelegen plaats in te nemen, teneinde in of vanuit dat voertuig aan het publiek diensten te verlenen of te verstrekken, of van het publiek goederen in ontvangst te nemen.

  2. De artikelen 5:18a en 5:21a zijn van overeenkomstige toepassing.

  3. Een vergunning krachtens het eerste lid kan betrekking hebben op het innemen van een standplaats op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen gedurende een bepaalde periode.

  4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:22

Begripsbepaling

[Het begrip snuffelmarkt valt op grond van deze verordening onder het begrip evenement]

Artikel 5:23a

Toepassingsbereik

Deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 5:29 (reddingsmiddelen), 5:30 (Veiligheid op het water) en 5:30a (Zwemmen en baden elders dan in zee), is niet van toepassing in de haven als bedoeld in artikel 1.2, in samenhang met artikel 1.1 van de havenverordening Rotterdam 2020.

Artikel 5:24

Gebruik van openbaar water

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor door het college aangewezen categorieën van voorwerpen.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

  4. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  5. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Telecommunicatiewet, de Telecommunicatieverordening Rotterdam 2015 of de Havenverordening Rotterdam 2020.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:25

Ligplaats vaartuigen

  1. Het is verboden in door het college aan te wijzen gebieden of perioden:

    1. met een vaartuig ligplaats in te nemen;

    2. met een vaartuig langer dan drie achtereenvolgende dagen ligplaats te hebben of te houden op dezelfde plaats of binnen een nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed gemeten, daarvan;

    3. met een vaartuig binnen drie dagen nadat het is verplaatst, opnieuw ligplaats in te nemen op dezelfde plaats of binnen een nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed gemeten, daarvan;

    4. met een vaartuig langer dan twee achtereenvolgende uren aan een winkelsteiger ligplaats te hebben of te houden tussen 9 uur en 20 uur;

    5. een vaartuig langer dan zes achtereenvolgende uren onbemand te laten;

    6. een vaartuig te verbouwen of onderhoud aan de buitenzijde van een vaartuig te verrichten, anders dan geringe herstel- of onderhoudswerkzaamheden, die redelijkerwijs niet langer dan een half uur duren; of

    7. in vaartuigen te overnachten.

  2. De verboden gelden niet voor vaartuigen die liggen:

    1. in een haven;

    2. op grond van de eigenaar van het vaartuig, of in het daartoe behorende water, mits het niet meer dan twee vaartuigen betreft en de afstand tot de oever niet meer bedraagt dan tien meter.

  3. Bij de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, kan het college bepalen dat het verbod niet dan wel uitsluitend geldt voor bepaalde categorieën van vaartuigen.

Artikel 5:28

Beschadigen van waterstaatswerken en oevers

  1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:29

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30

Veiligheid op het water

  1. Het is een ieder die zich in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:30a

Zwemmen en baden elders dan in zee

Het is, elders dan in zee, verboden in openbaar water te zwemmen of te baden, behalve op de plaatsen en onder de voorwaarden door het college aangegeven.

Artikel 5:31

Overlast aan vaartuigen

  1. Het is niet-rechthebbenden verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:31a

Vaarverbod

  1. Het is verboden zich met een vaartuig te bevinden in door het college aangewezen openbaar water.

  2. Het college kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Op de aanvraag om een vrijstelling of ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:31b

Verzamelen van visvoer

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college vanuit een vaartuig in openbaar water wormen of insecten, wormachtige larven of insectenlarven dan wel ander natuurlijk visvoer te verzamelen.

  2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:32

Motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en in duinterreinen

  1. Het is verboden zich met motorvoertuigen, bromfietsen of fietsen op voor het publiek toegankelijke delen van het strand of van de duinen te bevinden. Het verbod geldt voor wat betreft bromfietsen en fietsen niet voor de als zodanig aangegeven fietspaden.

  2. Het verbod geldt niet voor fietsen gedurende door het college aangegeven perioden of tijden.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:33

Rij- en trekdieren op het strand

  1. Het is verboden zich met rij- of trekdieren op het strand te bevinden gedurende de door het college daartoe aangegeven omstandigheden, perioden of tijden.

  2. In bijzondere gevallen kan het college ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:33a

Vaartuigen op en bij het strand en in de zee

  1. Het is verboden:

    1. een vaartuig of een kitesurfuitrusting op het strand van Hoek van Holland of van het Noordzeestrand van de Maasvlakte 2 te brengen of te hebben;

    2. zich met een vaartuig te bevinden in de zee voor Hoek van Holland tussen het strand en de denkbeeldige lijn welke wordt gevormd door de boeien HvH 1, HvH 3 en HvH 5;

    3. zich met een vaartuig te bevinden in de zee voor het Noordzeestrand van de Maasvlakte 2 op een afstand van minder dan 150 meter vanaf de laagwaterlijn.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de door het college aangewezen vaartuigen, perioden, tijden of gebieden.

Artikel 5:33b

Zwemmen en baden in zee

Het is verboden in zee te zwemmen of te baden aan het gedeelte van het strand, strekkende over een afstand van 100 meter in noordelijke richting vanaf het Noorderhoofd van de Nieuwe Waterweg.

Artikel 5:33c

Verbod zich te bevinden op de blokken van de blokkendam

Het is verboden zich te bevinden op de blokken van de blokkendam, welke gelegen is:

  1. tussen de Edisonbaai en het zandstrand van Maasvlakte 2;

  2. in het verlengde van de Noorderpier.

Artikel 5:33d

Gevaarlijke speelwerktuigen

Het is verboden op het strand, in zee of in de duinen speelwerktuigen zodanig te gebruiken, dat dit gevaar of hinder voor anderen oplevert of kan veroorzaken.

Artikel 5:33e

Vrijstellingen

De in deze afdeling gestelde verboden gelden niet met betrekking tot voertuigen, fietsen, dieren en vaartuigen, ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de verantwoordelijke minister aangewezen hulpverleningsdiensten, de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij en de Rotterdamse Vrijwillige Reddingsbrigade.

Artikel 5:33f

Aanwijzen gebieden naaktrecreatie

Als geschikt voor naaktrecreatie worden aangewezen:

  1. een met borden aangegeven gedeelte van het Noordzeestrand op Maasvlakte 2 met een lengte van circa 1000 meter dat gelegen is direct ten noorden van de meest noordelijke strandopgang van het intensieve recreatiestrand.

  2. een met borden aangegeven gedeelte van het strandgedeelte te Hoek van Holland, gelegen tussen het verlengde van het slag Stuifkenszand en de gemeentegrens met 's-Gravenzande, gerekend ongeveer 30 meter ten noorden vanaf het verlengde van het Stuifkenszand en ongeveer 50 meter ten zuiden vanaf de gemeentegrens met ’s-Gravenzande;

  3. een met borden aangegeven gedeelte van het Strandbad aan de Kralingse Plas met een breedte van circa 100 meter en een diepte van circa 80 meter, gelegen aan de uiterste noordoostzijde van het Strandbad;

  4. een met borden aangeduid terrein aan de noord(oost)oever van de Zevenhuizerplas, voor de periode dat deze locatie deel uit maakt van het grondgebied van de gemeente Rotterdam.

Artikel 5:34

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  1. Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke,

    2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven,

    3. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving kan veroorzaken.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt tevens voor de in het tweede lid, onder c, bedoelde handelingen gedurende door het college aangegeven perioden, tijden, of in door het college aangewezen gebieden.

  6. Dit artikel is niet van toepassing voor zover artikel 429, aanhef en onderdeel 1˚ of onderdeel 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening in het verbod voorziet.

Afdeling 9. Verstrooiing van as

Artikel 5:35

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36

Verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing

  1. Incidentele asverstrooiing is verboden:

    1. op gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;

    2. op verharde delen van de weg;

    3. op kinderspeelplaatsen, ligweiden en openbare sport- en spelterreinen;

    4. op of vanaf bruggen, sluiscomplexen, steigers en remmingwerken;

    5. van 1 mei tot en met 30 september tussen 9 en 21 uur:

      1. in openbaar water dat niet door de beroepsvaart wordt gebruikt;

      2. in zee op een afstand van minder dan 300 meter van de laagwaterlijn;

      3. op het strand.

  2. Het college kan regels stellen, inhoudende een verbod as te verstrooien gedurende een daarbij aangegeven termijn op daarbij aangegeven andere plaatsen dan bedoeld in het eerste lid.

  3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus, op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder b tot en met e, gestelde verboden.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:37

Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Artikel 6:1

Strafbepaling

  1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak:

    artikel 2:1 (samenscholing en ongeregeldheden);

    artikel 2:1a (Straatintimidatie);

    artikel 2:6 (beperking verspreiden van voorwerpen voor handelsreclamedoeleinden);

    artikel 2:9 (straatartiest);

    artikel 2:10 (plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg);

    artikel 2:11 (omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg);

    artikel 2:12 (maken en veranderen van een uitweg);

    artikel 2:14 (winkelwagentjes);

    artikel 2:15 (hinderlijke beplanting of voorwerp);

    artikel 2:16 (openen straatkolken e.d.);

    artikel 2:18 (rookverbod in bossen en natuurgebieden);

    artikel 2:19 (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp);

    artikel 2:21 (voorzieningen voor verkeer en verlichting);

    artikel 2:23 (veiligheid op het ijs);

    artikel 2:23a (slaapverblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen);

    artikel 2:25 (evenementenvergunning);

    artikel 2:25a (0-evenementen);

    artikel 2:26 (openbare orde en veiligheid);

    artikel 2:28 (exploitatie openbare inrichting);

    artikel 2:29 (openings- en sluitingstijden);

    artikel 2:30 (sluiting van openbare inrichtingen);

    artikel 2:30a (aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder);

    artikel 2:30b (terrassen);

    artikel 2:30c (beëindiging exploitatie);

    artikel 2:30d (wijziging beheer);

    artikel 2:31 (verboden gedragingen)

    artikel 2:32 (handel in openbare inrichtingen);

    artikel 2:34c (beperking voor horecabedrijven en slijtersbedrijven);

    artikel 2:35 (sluiting voor het publiek openstaande gebouwen);

    artikel 2:36 (Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat);

    artikel 2:39a (vergunningplicht speelautomatenhal, aanvraag vergunning, intrekking vergunning)

    artikel 2:40 (kansspelautomaten);

    artikel 2:40a (gokken op de weg);

    artikel 2:41 (betreden gesloten woning of voor publiektoegankelijk lokaal);

    artikel 2:42 (plakken en kladden);

    artikel 2:43 (vervoer plakgereedschap e.d.);

    artikel 2:44 (vervoer inbrekerswerktuigen);

    artikel 2:44a (vervoer geprepareerde voorwerpen);

    artikel 2:45 (bescherming groenvoorzieningen);

    artikel 2:46 (rijden over bermen e.d.);

    artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op of aan de weg);

    Artikel 2:47a (verbod gebieden en locaties)

    artikel 2:47b (groepsfietsen);

    artikel 2:48 (openlijk drankgebruik);

    Artikel 2:48a (lachgasverbod) [vervallen];

    artikel 2:48b (alcoholoverlastgebied);

    artikel 2:49 (verboden gedrag bij of in gebouwen);

    artikel 2:50 (hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten);

    artikel 2:50a (messen en andere voorwerpen als wapen) [vervallen];

    artikel 2:50b (verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties) [vervallen];

    artikel 2:52 (overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterreinen e.d.);

    artikel 2:53 (bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen);

    artikel 2:57 (loslopende honden);

    artikel 2:58 (opruimplicht hondenuitwerpselen);

    artikel 2:59 (Gevaarlijke en hinderlijke honden);

    artikel 2:60 (Houden van hinderlijke of schadelijke dieren);

    artikel 2:60a (verbod voeren van dieren op openbare plaats of openbaar water);

    artikel 2:65 (bedelarij);

    artikel 2:72 (ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen);

    artikel 2:73 (Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling)

    artikel 2:74 (drugshandel op straat);

    artikel 2:74a (openlijk drugsgebruik);

    artikel 2:74b (weggooien van spuiten e.d.);

    artikel 2:77a (gebruik lasers);

    artikel 2:77b (wijkverboden);

    artikel 2:77c (stadionomgevingsverbod) [vervallen];

    artikel 2:80 (vergunning woningverhuur) [vervallen];

    artikel 3:3 (vergunning);

    artikel 3:8 (eisen met betrekking tot vergunning);

    artikel 3:9a (sluiting van een seksinrichting);

    artikel 3:12 (sluitingstijden seksinrichtingen;aanwezigheid; toegang);

    artikel 3:13 (adverteren);

    artikel 3:14 (leeftijd en verblijfstitel prostituees);

    artikel 3:15 (bedrijfsplan);

    artikel 3:16 (verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf);

    artikel 3:17 (verbod raam- en straatprostitutie);

    artikel 4:4 (Verboden incidentele festiviteiten);

    artikel 4:4a (geluidsplafond);

    artikel 4:6 (geluidhinder algemeen);

    artikel 4:7 (straatvegen);

    artikel 4:8 (natuurlijke behoefte doen);

    artikel 4:9 (toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen);

    artikel 4:9a (gevelreiniging en –bewerking)

    Artikel 4:9b (verbod oplaten ballonnen)

    artikel 4:11g (herplant-/instandhoudingsplicht);

    artikel 4:11j (bestrijding iepziekte);

    artikel 4:11k (voorwerpen aan/in houtopstand);

    artikel 4:13 (opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.);

    artikel 4:15 (Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame);

    artikel 4:18 (nachtverblijf buiten kampeerterreinen);

    artikel 5:2 (parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.);

    artikel 5:3 (te koop aanbieden van voertuigen);

    artikel 5:4 (defecte voertuigen);

    artikel 5:5 (voertuigwrakken);

    artikel 5:6 (caravans, aanhangwagens e.d.);

    artikel 5:7 (parkeren van reclamevoertuigen);

    artikel 5:8 (parkeren van grote voertuigen);

    artikel 5:10 (overlastgevend parkeren van voertuigen);

    artikel 5:11 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen);

    artikel 5:12 (overlastgevend stallen en hinderlijk parkeren van (brom)fietsen, fietswrakken;

    Artikel 5:12a (Vergunning deelmobiliteit)

    artikel 5:13 (inzameling van geld of goed);

    artikel 5:15 (venten);

    artikel 5:18 (standplaatsen);

    artikel 5:21a (standplaatsvrije gebieden);

    artikel 5:21c (inneming en ontruiming standplaatsen);

    artikel 5:21d (standplaatsen grote voertuigen);

    artikel 5:24 (gebruik van openbaar water);

    artikel 5:25 (ligplaats vaartuigen);

    artikel 5:28 (beschadigen van waterstaatswerken en oevers);

    artikel 5:29 (reddingsmiddelen);

    artikel 5:30 (gevaar of hinder door baden of zwemmen);

    artikel 5:30a (zwemmen en baden elders dan in zee);

    artikel 5:31 (overlast aan vaartuigen);

    artikel 5:31a (vaarverbod);

    artikel 5:31b (verzamelen van visvoer);

    artikel 5:32 (motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en in duinterreinen);

    artikel 5:33 (rij- en trekdieren op het strand);

    artikel 5:33a (vaartuigen op en bij het strand en in de zee);

    artikel 5:33b (zwemmen en baden in zee);

    artikel 5:33c (verbod zich te bevinden op de blokken van de blokkendam);

    artikel 5:33d (gevaarlijke speelwerktuigen).

    artikel 5:34 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken);

    artikel 5:36 (verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing);

    artikel 5:37 (Hinder of overlast);

    artikel 6:2, tweede lid (bevelsbevoegdheid).

  2. Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2:67 en 2:68 wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht.

  3. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, tweede lid, 2:11, tweede lid onder a, 2:12, eerste lid, en 4:11, eerste lid.

Artikel 6:2

Toezicht en opsporing

  1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    1. de door het college of de burgemeester aangewezen ambtenaren van het cluster stadsbeheer;

    2. andere door het college of de burgemeester aangewezen ambtenaren;

    3. ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a en onderdeel c, van de Politiewet 2012;

    4. ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee ten aanzien van de directe omgeving van Rotterdam The Hague Airport.

  2. Ambtenaren genoemd in het eerste lid, onder c en d, zijn bevoegd bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening en bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk worden geacht voor de handhaving van de openbare orde.

Artikel 6:3

Binnentreden van woningen

De ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 7:1

Intrekking APV Rotterdam 2008

De Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008 wordt ingetrokken.

Artikel 7:2

Overgangsbepalingen regelingen

Door het bevoegde bestuursorgaan ter uitvoering van de APV Rotterdam 2008 vastgestelde regelingen berusten na het in werking treden van deze verordening op de overeenkomstige bepalingen daarvan zoals opgenomen in de bij deze verordening horende en daarvan deel uitmakende transponeringstabel.

Artikel 7:3

Overgangsbepaling vergunningen en ontheffingen

  1. Op een aanvraag om een vergunning of ontheffing krachtens de APV Rotterdam 2008, die is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, wordt, totdat de beslissing daarop onherroepelijk is geworden, beslist overeenkomstig het ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende recht.

  2. Op een bezwaarschrift of beroep tegen een besluit, krachtens de APV Rotterdam 2008 genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, wordt, totdat de beslissing daarop onherroepelijk is geworden, beslist overeenkomstig het ten tijde van het nemen van dat besluit geldende recht.

Artikel 7:4

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013, met uitzondering van artikelen 2:71 tot en met 2:73,die in werking treden op de eerste dag na de dagtekening van het gemeenteblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 7:5

Citeertitels

Deze verordening wordt aangehaald als:

a. Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012;

b. APV Rotterdam 2012.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 oktober 2012.

De griffier, De voorzitter,

J.G.A. Paans L.C. Bruijn, plv.

Dit gemeenteblad is uitgegeven op 19 oktober 2012 en ligt op werkdagen van 8.30 tot 16.00 uur ter inzage bij het Kenniscentrum Bestuursdienst Rotterdam (KBR), locatie Stadswinkel Centrum, Coolsingel 40 (zijde Doelwater, tegenover hoofdbureau politie)

(Zie ook: www.bds.rotterdam.nl – Gemeentebladen)

← terug naar wetten