-
In deze verordening wordt verstaan onder:
bebouwde kom: bebouwde kom waarvan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;
beperkingengebiedactiviteit: beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A;
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A;
college: het college van burgemeester en wethouders;
gebouw: gebouw als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A;
groepsfiets: een door meerdere personen door trapaandrijving voortbewogen fiets waarop, naast de bestuurder, drie of meer personen tegen betaling kunnen plaatsnemen;
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
openbaar water: wateren die -al dan niet met enige beperking- voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
openbare plaats: plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties;
provinciale omgevingsverordening: provinciale omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland;
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
waterschapsverordening: waterschapsverordening van het betreffende waterschap;
weg:
voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen of paden behorende bermen of zijkanten, alsmede de aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
voor het publiek - al dan niet met enige beperking - toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen, stranden, duinen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, arcades en galerijen,die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;
andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, arcades, nissen en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
-
Onder vaartuigen worden in deze verordening en de daarop berustende bepalingen mede verstaan drijvende werktuigen, glijboten, luchtkussenvaartuigen, ponten, vlotten, pontons, amfibische voertuigen, zeilplanken en soortgelijke drijvende voorwerpen en schepen die uitsluitend of hoofdzakelijk als woning worden gebruikt of tot woning zijn bestemd. Onder vaartuigen worden tevens mede verstaan vaartuigen die tijdelijk of blijvend de mogelijkheid of geschiktheid hebben verloren om te varen of te drijven, en vaartuigen in aanbouw of casco´s van vaartuigen.
Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Afdeling Voor publiek openstaande gebouwen
Afdeling Toezicht op speelautomatenhallen
- Artikel 2:39
- Artikel 2:39a
- Artikel 2:40
- Artikel 2:40a
- Artikel 2:41
- Artikel 2:42
- Artikel 2:43
- Artikel 2:44
- Artikel 2:44a
- Artikel 2:45
- Artikel 2:46
- Artikel 2:47
- Artikel 2:47a
- Artikel 2:47b
- Artikel 2:48
- Artikel 2:48a
- Artikel 2:48b
- Artikel 2:49
- Artikel 2:50
- Artikel 2:50a
- Artikel 2:50b
- Artikel 2:51
- Artikel 2:52
- Artikel 2:53
- Artikel 2:54
- Artikel 2:55
- Artikel 2:56
- Artikel 2:57
- Artikel 2:58
- Artikel 2:59
- Artikel 2:60
- Artikel 2:60a
- Artikel 2:61
- Artikel 2:62
- Artikel 2:63
- Artikel 2:64
- Artikel 2:65
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebruik lasers
Afdeling Omgevingsverboden
Afdeling Woonoverlast
Hoofdstuk Regulering prostitutie en seksbranche
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk Overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk
Artikel 1:2
Beslistermijn
-
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen vier weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, tenzij in deze verordening een andere beslistermijn is vastgesteld.
-
In afwijking van het eerste lid beslist het bevoegde bestuursorgaan binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag voor een vergunning krachtens de artikelen 2:28, 2:36, 2:39a of 5:18.
-
Het bestuursorgaan kan de termijn, bedoeld in het eerste lid met ten hoogste vier weken verlengen onderscheidenlijk de in het tweede lid bedoelde termijn met acht weken.
-
Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
-
[vervallen]
Artikel 1:3
[gereserveerd]
Artikel 1:4
Voorschriften en beperkingen
-
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
-
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
-
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5
Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
-
De vergunning en ontheffing geldt alleen voor degene aan wie zij is verleend.
-
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6
Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
op grond van een van de in artikel 1:8, eerste lid, onder a tot en met d, bedoelde belangen;
indien de houder dit verzoekt.
-
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:7
Geldigheidsduur vergunning of ontheffing
-
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
-
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal potentiële aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:7a
Termijnen
Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
Artikel 1:8
Weigeringsgronden
-
De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd:
in het belang van de openbare orde;
in het belang van de openbare veiligheid;
in het belang van de volksgezondheid;
in het belang van de bescherming van het milieu;
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.
-
Het bevoegde bestuursorgaan of het bevoegd gezag kan,onverminderd het elders in deze verordening bepaalde, een vergunning of ontheffing weigeren, indien de aanvrager voorschriften,verbonden aan een eerdere vergunning of ontheffing voor een soortgelijke activiteit of beperkingen waaronder zo’n vergunning of ontheffing is verleend,niet heeft nageleefd en het vermoeden gerechtvaardigd is dat indien de gevraagde vergunning of ontheffing wordt verleend, hij ook daaraan verbonden voorschriften of beperkingen waaronder zij zou worden verleend, niet zal naleven.
-
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Artikel 1:10
Experimenteerartikel
-
In dit artikel wordt verstaan onder experiment: tijdelijk afwijken van een of meer bepalingen in deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent of algemeen kan worden gemaakt.
-
Het college of de burgemeester kan, ieder voor zover het een hem in deze verordening gegeven bevoegdheid betreft, besluiten tot het houden van een experiment.
-
Het college of de burgemeester kan niet bij wijze van experiment afwijken van de volgende onderdelen van deze verordening:
de hoofdstukken 1, 3, 6 en 7;
de afdelingen 2.1, 2.2 en 2.6 met uitzondering van artikel 2:14, de afdelingen 2.9 en 2.11 met uitzondering van de artikelen 2:42 en 2:58, de afdelingen 2.13 tot en met 2.16, afdeling 4.1 met uitzondering van artikel 4:6, en de afdelingen 4.2 en 4.3; en
de artikelen 2:31, 2:32, 2:40a, 5:23a, 5:28 tot en met 5:31a, 5:33b, 5:33c en 5:33d.
-
In het besluit, zoals genoemd in het tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen:
het doel van het experiment;
de tijdsduur van het experiment;
van welke regels wordt afgeweken;
voor welk gebied het experiment geldt; en
de voorwaarden die het college of de burgemeester verbindt aan het experiment.
-
De raad wordt uiterlijk vier weken voor aanvang van het experiment door het college of de burgemeester geïnformeerd over het experiment.
-
Een experiment heeft een looptijd van ten hoogste een jaar.
-
Het experiment wordt geëvalueerd. Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van deze verordening, kan het college of de burgemeester besluiten, in afwijking van het zesde lid, het experiment met ten hoogste een jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van de verordening.