1. Het is verboden een fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig te parkeren als daardoor:
a. op de weg de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;
b. de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd;
c. schade wordt veroorzaakt aan de openbare ruimte of aan het uiterlijk aanzien van de
gemeente;
d. voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets,
bromfiets of het gehandicaptenvoertuig staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht
wordt belemmerd en dit tegen de uitdrukkelijk verklaarde wil van die bewoner of
gebruiker is.
2. Het college kan in het belang van de veiligheid en ter voorkoming van hinder een gebied
aanwijzen waarin fietsen of bromfietsen uitsluitend in een daarvoor bestemde voorziening
mogen worden geplaatst.
3. Het is verboden om een fiets of bromfiets in een gebied als bedoeld in het tweede lid
buiten een daarvoor bestemde voorziening te plaatsen.