Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld
in het derde lid intrekken of wijzigen indien;
a. het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of
b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig
wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of
c. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd; of
d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of
e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat
strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt
beïnvloed; of
f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
g. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een
gewijzigde exploitatie; of
h. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de
vergunning vermelde in overeenstemming is; of
i. er aanwijzingen zijn dat er in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of
de Vreemdelingenwet 2000;
j. indien de vestiging of exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.