1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, gewijzigd of geschorst als:
a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na
het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is
vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
ontheffing is vereist;
c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn
of worden nagekomen;
d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende
een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn,
binnen een redelijke termijn; of
e. de houder dit verzoekt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.