1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd als:

a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of

zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag

is;

c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de

aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met

aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of

zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben

bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben

bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het

bepaalde bij of op grond van de Vreemdelingenwet 2000;

g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de

vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot

een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de

vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of

strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete

van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,

onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding

van:

1. bepalingen, gesteld bij of op grond van de Alcoholwet, de Opiumwet, de

Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze

verordening;

2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met

420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

3. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

4. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de

Wegenverkeerswet 1994;

5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

i. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt;

j. voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het

omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan [of een aanwijzing

als bedoeld in artikel 3:4].

2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijkgesteld:

a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van

het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet

inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.

3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking

van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze

vergunning.

4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h,

telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.