1. De burgemeester kan een openbare inrichting voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten indien een daar gevestigde openbare inrichting:
a. wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;
b. heeft gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen; of
c. heeft gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen.
2. Het is eenieder verboden een op grond van het eerste lid gesloten openbare inrichting te betreden of daarin te verblijven of te laten verblijven.
3. De sluiting wordt tevens bekend gemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de toegang(en) van de openbare inrichting.
4. De sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
5. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet