1. Een vergunning voor een openbare inrichting wordt geweigerd indien:
a. de exploitant of de leidinggevende onder curatele staat;
b. de exploitant of de leidinggevende in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
c. de leidinggevende de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; of
f. de voorgenomen uitoefening van de openbare inrichting strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een geldend exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of omgevingsplan.
2. De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen onder slecht levensgedrag, als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan. Een exploitant of leidinggevende is in ieder geval van slecht levensgedrag als niet voldaan wordt aan de gestelde eisen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Alcoholbesluit.
3. Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 1:8, kan een vergunning voor een openbare inrichting worden geweigerd indien:
a. voor de openbare inrichting reeds eerder een vergunning is ingetrokken op grond van artikel 2:28g, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking van de vergunning;
b. voor de openbare inrichting reeds eerder een vergunning is ingetrokken onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking van de vergunning; of
c. de openbare orde, de openbare veiligheid of de woon- en leefomgeving nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd.