1. De vergunning voor een openbare inrichting wordt ingetrokken indien:

a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest;

b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

c. zich binnen de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees rechtvaardigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of openbare veiligheid;

d. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 2:28f, eerste lid;

e. de uitoefening van de openbare inrichting strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of omgevingsplan.

2. De vergunning voor een openbare inrichting kan worden geschorst of ingetrokken indien:

a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

c. een niet in de vergunning vermelde persoon (feitelijk) exploitant of leidinggevende is geworden;

d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen

e. de exploitant dan wel de leidinggevende het toezicht op de openbare inrichting belemmert of bemoeilijkt; of

f. er zich in of vanuit de openbare inrichting over een tijdsbestek van twee jaren vijf of meer overtredingen van het bepaalde in deze afdeling hebben voorgedaan.