1. Een vergunning voor een evenement wordt geweigerd indien:

a. de organisator, beoordeeld naar het verband met het karakter of de doelstelling van het evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

b. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de organisator in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen.

2. De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen onder slecht levensgedrag, als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt verstaan.

3. Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 1:8 kan een vergunning voor een evenement worden geweigerd indien:

a. reeds eerder een vergunning, die verleend is aan de organisator, is ingetrokken op grond van artikel 2:25h, gedurende een periode van vijf jaar na intrekking van de vergunning;

b. reeds eerder een vergunning, die verleend is aan de organisator, is ingetrokken op grond van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, gedurende een periode van vijf jaar na intrekking van de vergunning;

c. de betrokken hulpdiensten negatief hebben geadviseerd op het evenement; of

d. de openbare orde, de openbare veiligheid of de woon- en leefomgeving onevenredig nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het evenement waarvoor de vergunning is aangevraagd.