Algemene plaatselijke verordening gemeente Roermond BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk , aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op horecabedrijven
Afdeling Regulering paracommerciele rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Afdeling Naaktrecreatie (*)
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Afdeling Toezicht op winkelbedrijven (*)
Hoofdstuk Regulering sekswerk, seksbranche en aanverwante onderwerpen
HOOFDSTUK SPEELAUTOMATENHALLEN EN SPEELAUTOMATEN (*)
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Afdeling

Toezicht op winkelbedrijven (*)

Artikel 2:82

Begripsomschrijvingen (*)

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. Inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smartshop, headshop, belwinkel of internetcafé;

  2. leidinggevende:

    1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;

    2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;

    3. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting.

  3. bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van:

    1. de leidinggevende, zijn levenspartner en hun directe gezinsleden;

    2. het dienstdoende personeel;

    3. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk

  4. Bevoegde bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 2:83

Vergunningplicht (*)

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een inrichting te exploiteren (winkelvergunning).

Artikel 2:84

Eisen leidinggevende (*)

Een leidinggevende:

  1. staat niet onder curatele;

  2. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

  3. heeft de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Artikel 2:85

Vergunningaanvraag (*)

  1. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij het bevoegde bestuursorgaan worden ingediend aan de hand van een door het bevoegde bestuursorgaan vast te stellen formulier.

  2. Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste:

    1. opgaaf gedaan van de personalia dan wel zetel van de aanvrager en de personalia en het adres van de leidinggevende voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;

    2. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van iedere overige leidinggevende;

    3. overgelegd een recente pasfoto van de leidinggevende(n);

    4. opgaaf gedaan van het adres en de aard van de inrichting;

    5. overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de leidinggevende afgegeven verklaring omtrent het gedrag, dan wel wanneer de exploitant of beheerder woonachtig is (geweest) in het buitenland een met de verklaring omtrent het gedrag gelijkgesteld document uit het land van herkomst;

    6. overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting.

Artikel 2:86

Beslistermijn (*)

  1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist binnen dertien weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen.

  2. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste 13 weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging.

Artikel 2:87

Weigeringsgronden (*)

  1. Het bevoegde bestuursorgaan weigert de vergunning als de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, de beheersverordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening, ofwel in strijd is met een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  2. Het bevoegde bestuursorgaan weigert de vergunning als naar zijn oordeel:

    1. door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed;

    2. de feitelijke toestand niet overeenkomt met hetgeen in de aanvraag is vermeld.

  3. Bij de toepassing van de in het vorige lid onder a genoemde weigeringsgrond houdt het bevoegde bestuursorgaan rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van de inrichting;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

    4. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;

    5. de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de inrichting in deze of in andere inrichtingen;

    6. de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden.

  4. Een vergunning wordt voorts geweigerd als de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is dan wel niet voldoet aan de moraliteitseisen, dan wel de verklaring als bedoeld in artikel 2:85 lid 2 onder e niet overgelegd wordt.

  5. Een vergunning wordt voorts geweigerd als er sprake is van een van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (wet Bibob).

Artikel 2:88

Vergunning (*)

  1. In een vergunning worden vermeld:

    1. de natuurlijke of rechtspersoon, vennoten, bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden aan wie de vergunning is verleend en voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;

    2. de leidinggevenden;

    3. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

    4. de plaats waar de inrichting zich bevindt;

  2. De geldende vergunning of een afschrift daarvan dient in de inrichting aanwezig te zijn.

Artikel 2:89

Aanwezigheid leidinggevende (*)

Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden als in de inrichting niet aanwezig is:

  1. een leidinggevende die vermeld staat op de vergunning met betrekking tot die inrichting, of;

  2. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:85a, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.

Artikel 2:89a

Melding leidinggevende (*)

  1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester:

    1. zijn wens een persoon als leidinggevende op de vergunning te laten bijschrijven;

    2. dat een leidinggevende geen bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de inrichting.

  2. De melding als bedoeld in het vorige lid wordt gedaan op een door de burgemeester vast te stellen formulier.

  3. De melding geldt als aanvraag tot wijziging van de vergunning.

  4. De burgemeester bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag.

  5. De burgemeester weigert de wijziging van de vergunning:

    1. indien de persoon als bedoeld in eerste lid niet voldoet aan de in artikel 2:80 gestelde eisen;

    2. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    3. indien wijziging van de vergunning in strijd is met het gestelde in een beleidsregel als bedoeld in artikel 4:81 Awb.

  6. Alvorens te beslissen op een aanvraag tot wijziging van de vergunning kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, door het openbaar bestuur om een advies als bedoeld in artikel van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur worden gevraagd.

Artikel 2:90

Intrekkingsgronden (*)

  1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegde bestuursorgaan de vergunning intrekken, als:

    1. aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

    2. een leidinggevende van de inrichting toestaat dan wel gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

    3. zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

    4. een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft;

    5. de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is dan wel niet voldoet aan de moraliteitseisen;

    6. er sprake is van het geval en onder voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, aanhef en onder f, kan het Bureau bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 2:91

Vervallen vergunning (*)

  1. De vergunning vervalt als:

    1. de exploitatie van de inrichting voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken;

    2. er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

    3. een vergunning, strekkende ter vervanging van de eerstbedoelde vergunning is verleend.

  2. Van het feit dat de vergunning is vervallen op grond van het bepaalde in het eerste lid onder a en b doet het bevoegde bestuursorgaan mededeling aan hem op wiens naam de vergunning is gesteld.

Artikel 2:92

Sluiting van inrichtingen (*)

  1. Het bevoegde bestuursorgaan kan een inrichting - al dan niet voor een bepaalde duur – gesloten verklaren als:

    1. die inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. het bevoegde bestuursorgaan oordeelt, dat een van de in artikel 2:86 genoemde situaties waarbij intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.

  2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht.

  3. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  4. Het is verboden, na het van kracht worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

  5. Het is een ieder verboden in een bij besluit van het bevoegd gezag gesloten inrichting als bezoeker te verblijven.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Roermond