1. Het bevoegde bestuursorgaan weigert de vergunning als de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, de beheersverordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening, ofwel in strijd is met een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  2. Het bevoegde bestuursorgaan weigert de vergunning als naar zijn oordeel:

    1. door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed;

    2. de feitelijke toestand niet overeenkomt met hetgeen in de aanvraag is vermeld.

  3. Bij de toepassing van de in het vorige lid onder a genoemde weigeringsgrond houdt het bevoegde bestuursorgaan rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van de inrichting;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

    4. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;

    5. de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de inrichting in deze of in andere inrichtingen;

    6. de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden.

  4. Een vergunning wordt voorts geweigerd als de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is dan wel niet voldoet aan de moraliteitseisen, dan wel de verklaring als bedoeld in artikel 2:85 lid 2 onder e niet overgelegd wordt.

  5. Een vergunning wordt voorts geweigerd als er sprake is van een van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (wet Bibob).