1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.10 beslist de burgemeester ingeval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en het derde, vierde en vijfde lid van artikel 2:28 kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen weigeren:

    1. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. als dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    3. als het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan;

    4. bij herinrichting en/of reconstructie van een gebied met terrassen.

  3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterwet of de geldende provinciale Omgevingsverordening.

  4. De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van die weg voor een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen opschorten bij evenementen en herinrichting en/ of reconstructie van een gebied met terrassen.

  5. Het bepaalde in het achtste lid van artikel 2:28 is van overeenkomstige toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.