1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. boom: houtachtig overblijvend gewas, dood of levend, met een dwarsdoorsnede van minimaal tien centimeter op 1,30 meter boven het maaiveld. In geval van meerdere stammen geldt de dikste stam;

    2. houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer bomen;

    3. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

    4. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;

    5. bebouwde kom: de bebouwde kom voor de toepassing van het beschermingsregime voor houtopstand op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a van de Wet natuurbescherming;

    6. iep: boom van het geslacht ulmus;

    7. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

    8. iepespintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.

  2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: het rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan 20% van de kroon of het wortelgestel met inbegrip van kandelaberen en het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de boom tot gevolg kan hebben.