1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken als:

    1. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

    2. de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan waarin door de aanwezigheid van een speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de (winkel)straat of buurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    3. gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen;

    4. de vergunning kan tevens worden ingetrokken wanneer het gerechtvaardigde vermoeden bestaat dat vanuit de spelautomatenhal strafbare feiten worden gepleegd dan wel het plegen van strafbare feiten wordt toegestaan dan wel gedoogd;

    5. de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode langer dan zesentwintig weken wordt onderbroken.

  2. Alvorens de vergunning in te trekken, kan de burgemeester de vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen een daartoe te bepalen termijn tot naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen of de aan de vergunning verbonden voorschriften over te gaan.

  3. Intrekking van de vergunning geschiedt niet voordat de burgemeester van zijn voornemen daartoe de vergunninghouder, onder opgave van redenen, mededeling heeft gedaan en hem in de gelegenheid heeft gesteld zich in persoon of bij gemachtigde door hem of een door hem aangewezen ambtenaar te doen horen. Indien dringende omstandigheden zulks vorderen, kan de vergunning onmiddellijk worden ingetrokken.