1. Het is eenieder verboden zich op de plaatsen bedoeld in artikel 2:58, eerste lid, te bevinden met een hond, zonder dat men een middel dat redelijkerwijs kan dienen tot het opruimen van uitwerpselen van honden bij zich draagt. Dit verbod geldt niet voor de op basis van artikel 2.58, lid 2, aangewezen gedeelten van de gemeente. Het verbod geldt eveneens niet voor de in de laatste zin van artikel 2.57, lid 3, genoemde categorie personen.

  2. Degene die zich met een hond op een in het eerste lid bedoelde plaats bevindt, is verplicht het middel op eerste vordering van een met het toezicht op de naleving van dit artikel belaste ambtenaar te tonen.