-
In deze afdeling wordt verstaan onder:
inrichting: de lokaliteit(en), bestaande uit al dan niet voor publiek toegankelijke afzonderlijke ruimte(n):
-
1°. waar bedrijfsmatig alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt;
-
2°. waar bedrijfsmatig, al dan niet door middel van een automaat, eetwaren of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;
-
3°. waar bedrijfsmatig en hoofdzakelijk, al dan niet door middel van een automaat, eetwaren ter directe consumptie voor gebruik elders dan ter plaatse worden verstrekt;
houder: degene die een inrichting exploiteert;
beheerder: degene die al dan niet samen met de houder, onder diens verantwoordelijkheid, de feitelijke leiding heeft in de inrichting;
terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel daarvan waar tegen vergoeding dranken of eetwaren voor directe consumptie kunnen worden verstrekt en waarvoor op grond van de Terrasverordening gemeente Maastricht een vergunning wordt vereist.
-
In deze afdeling wordt onder bezoekers niet verstaan:
de gezinsleden van de houder alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;
de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;
het dienstdoend personeel.
Algemene plaatselijke verordening Maastricht BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 4. Toezicht op inrichtingen voor het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 5. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 6. Tegengaan van onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Paragraaf Afdeling 7. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
- Artikel 2.45
- Artikel 2.46
- Artikel 2.47
- Artikel 2.48
- Artikel 2.49
- Artikel 2.50
- Artikel 2.51
- Artikel 2.52
- Artikel 2.53
- Artikel 2.54
- Artikel 2.55
- Artikel 2.56
- Artikel 2.57
- Artikel 2.58
- Artikel 2.59
- Artikel 2.60
- Artikel 2.61
- Artikel 2.62
- Artikel 2.62a
- Artikel 2.63
- Artikel 2.64
- Artikel 2.65
- Artikel 2.66
- Artikel 2.67
- Artikel 2.68
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding
Afdeling Veiligheidsrisicogebieden
Paragraaf Afdeling 13. Cameratoezicht op openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 14. Voetbal
Paragraaf Afdeling 15. Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Paragraaf Afdeling 1. Collecteren, venten en standplaatsen
Paragraaf Afdeling 2. Openbaar water en waterstaatswerken
Paragraaf Afdeling 3. Verbod vuur te stoken
Paragraaf Afdeling 4. Verstrooiing van as
Paragraaf Afdeling 5. Lijkbezorging
Paragraaf Afdeling 6. Toezicht op evenementen
Paragraaf Afdeling 7. Overlast fiets of bromfiets
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf
Artikel 2.19
Exploitatie inrichting
-
Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
-
De aanvraag daartoe dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
-
De vergunning wordt uitsluitend aan natuurlijke personen verleend. Zij is persoons- en pandgebonden en kan niet worden overgedragen. Indien de inrichting geëxploiteerd wordt door een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, dan dienen alle (beherende) vennoten afzonderlijk als houder op de vergunning vermeld te worden. De burgemeester kan bepalen dat de vergunning ten aanzien van bepaalde categorieën inrichtingen slechts aan één natuurlijk persoon kan worden verleend.
-
Op de aanvraag voor de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
-
De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in het eerste lid niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten inrichtingen in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.
-
De exploitatie van een inrichting, waarop een besluit als bedoeld in het vijfde lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.
-
Het is verboden een inrichting te verplaatsen zonder toestemming van de burgemeester.
-
De toestemming tot verplaatsing wordt uitsluitend verleend voor door de burgemeester aangewezen inrichtingen in door de burgemeester genoemde omstandigheden.
-
De burgemeester kan bepalen dat voor bepaalde categorieën inrichtingen een maximum wordt vastgesteld.
Artikel 2.20
Weigeringsgronden
-
De vergunning wordt geweigerd indien:
de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het omgevingsplan;
de houder binnen drie jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees daarvoor, gesloten is geweest;
de houder de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
de houder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting;
er sprake is van een concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt;
redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
er aanwijzingen zijn dat de houder in strijd handelt met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;
de inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, niet beschikt over eigen toiletgelegenheid voor gasten.
-
De vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
-
De vergunning kan ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 2.25, onderdeel e, is ingetrokken, gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd.
Artikel 2.21
Beheerder
-
De houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, kan beheerders aanstellen.
-
De houder verzoekt de burgemeester om de beheerder bij te schrijven op het aanhangsel bij de vergunning. Bij dit verzoek dient de houder het arbeidscontract met de beheerder te overleggen.
-
Een beheerder die in enig opzicht van slecht levensgedrag is, wordt geweigerd of verwijderd van het aanhangsel.
-
Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, voor het publiek geopend te hebben indien in de inrichting geen houder of beheerder feitelijk aanwezig is.
Artikel 2.22
Sluitingstijd
-
Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2° verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of daarin of aldaar één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
van maandag tot en met vrijdag van 02.00 tot 07.00 uur;
op zaterdag en zondag van 03.00 tot 07.00 uur.
-
De burgemeester kan gebieden aanwijzen waarin het voor de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, verboden is deze voor bezoekers geopend te hebben of daarin of aldaar één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
van maandag tot en met vrijdag van 02.30 tot 07.00 uur;
op zaterdag en zondag van 03.30 tot 07.00 uur.
-
De burgemeester kan, ten behoeve van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, voor bepaalde tijd gedurende de uren tot 06.00 uur ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, voor zover het betreft:
een inrichting, welke is gelegen in een horecaconcentratiegebied;
een grootschalige inrichting met een bovenstedelijke functie;
een studentensociëteit.
-
De burgemeester kan, ten behoeve van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, voor bepaalde tijd, op marktdagen gedurende de uren vanaf 05.00 uur ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, voor maximaal twee aan de Markt gelegen inrichtingen.
-
Onverminderd het tweede lid, kan de burgemeester in geval van bijzondere festiviteiten tijdelijk collectief ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod.
-
Onverminderd artikel 1.6, kan de burgemeester de in het derde lid bedoelde ontheffing tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken indien de houder van de ontheffing betrokken is bij of hem nalatigheid kan worden verweten ten aanzien van activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar voor de openbare orde en veiligheid opleveren of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting.
-
Op de openingstijden van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, is het bij of krachtens de Winkeltijdenwet bepaalde van toepassing.
-
Op een aanvraag voor een ontheffing van het in het eerste lid bedoelde verbod is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht over de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, niet van toepassing.
Artikel 2.23
Afwijking sluitingstijden en tijdelijke sluiting
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
-
Het eerste lid geldt niet voor situaties waarin wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet dan wel artikel 10 Wet experiment gesloten coffeeshopketen.
Artikel 2.24
Sluiting
Onverminderd artikel 2.23 kan de burgemeester een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, al dan niet voor een bepaalde termijn gesloten verklaren indien:
de houder van de inrichting handelt in strijd met artikel 2.19, eerste lid;
de houder van de inrichting handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
gehandeld wordt in strijd met artikel 2.21, vierde lid.
Artikel 2.25
Intrekken vergunning
Onverminderd artikel 1.6 kan de vergunning worden ingetrokken indien:
de houder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
wordt gehandeld in strijd met het in artikel 2.21, vierde lid bedoelde verbod;
de inrichting krachtens een verleende of te verlenen bouwvergunning is of wordt gewijzigd en waarbij de totale oppervlakte van de inrichting wordt vergroot;
sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;
naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door het laten voortbestaan van de vergunning;
er aanwijzingen zijn dat in de horeca-inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.
Artikel 2.26
Vervallen vergunning
De vergunning vervalt wanneer:
de vergunninghouder de exploitatie feitelijk heeft beëindigd, of geheel of gedeeltelijk heeft overgedragen. Daaronder valt ook de overdracht van aandelen.
de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden;
sinds de verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
er een wijziging heeft plaatsgevonden in de op de vergunning vermelde natuurlijke personen die gezamenlijk als houder worden aangemerkt; of
de inrichting zonder toestemming als bedoeld in artikel 2.19, zevende lid, naar een andere locatie wordt verplaatst.
Artikel 2.27
Bijzondere overgangsbepaling voor bestaande inrichtingen
Artikel 2.19, derde lid en artikel 2.20, eerste lid, onderdeel j, zijn niet van toepassing op vergunningen welke zijn verleend in de periode gelegen voor de dag waarop genoemde artikelen in werking zijn getreden.
Artikel 2.28
Verboden gedragingen
-
Het is verboden in of vanuit een inrichting:
de orde te verstoren;
te verblijven na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2.23, eerste lid of artikel 2.24.
-
Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, verboden in die inrichting toe te laten of te laten verblijven niet tot zijn gezin behorende personen die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank plegen te maken en wier namen als zodanig schriftelijk door de burgemeester aan die houder zijn opgegeven.
-
Het is aan een persoon, wiens naam ingevolge het derde lid door de burgemeester aan de houders van inrichtingen als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, verboden zich in een dergelijke inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld.
-
Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt voor maximaal een jaar.
Artikel 2.29
Toegang toezichthouders
De houder van een inrichting is verplicht ervoor zorg te dragen dat toezichthouders vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn inrichting:
gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is, dan wel
gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn, indien die toezichthouders het vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 2.30
Handel binnen inrichting
-
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar, als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.
-
De exploitant van een inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt, of op enig andere wijze overdraagt.
-
Het tweede lid geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen.
Artikel 2.31
College als bevoegd bestuursorgaan
Indien een inrichting geen voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 Gemeentewet, treedt het college van burgemeester en wethouders bij de toepassing van de bepalingen in deze afdeling op als bevoegd bestuursorgaan.