De vergunning vervalt wanneer:

  1. de vergunninghouder de exploitatie feitelijk heeft beëindigd, of geheel of gedeeltelijk heeft overgedragen. Daaronder valt ook de overdracht van aandelen.

  2. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden;

  3. sinds de verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

  4. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

  5. er een wijziging heeft plaatsgevonden in de op de vergunning vermelde natuurlijke personen die gezamenlijk als houder worden aangemerkt; of

  6. de inrichting zonder toestemming als bedoeld in artikel 2.19, zevende lid, naar een andere locatie wordt verplaatst.