1. Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2° verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of daarin of aldaar één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    1. van maandag tot en met vrijdag van 02.00 tot 07.00 uur;

    2. op zaterdag en zondag van 03.00 tot 07.00 uur.

  2. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waarin het voor de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, verboden is deze voor bezoekers geopend te hebben of daarin of aldaar één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    1. van maandag tot en met vrijdag van 02.30 tot 07.00 uur;

    2. op zaterdag en zondag van 03.30 tot 07.00 uur.

  3. De burgemeester kan, ten behoeve van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, voor bepaalde tijd gedurende de uren tot 06.00 uur ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, voor zover het betreft:

    1. een inrichting, welke is gelegen in een horecaconcentratiegebied;

    2. een grootschalige inrichting met een bovenstedelijke functie;

    3. een studentensociëteit.

  4. De burgemeester kan, ten behoeve van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, voor bepaalde tijd, op marktdagen gedurende de uren vanaf 05.00 uur ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, voor maximaal twee aan de Markt gelegen inrichtingen.

  5. Onverminderd het tweede lid, kan de burgemeester in geval van bijzondere festiviteiten tijdelijk collectief ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod.

  6. Onverminderd artikel 1.6, kan de burgemeester de in het derde lid bedoelde ontheffing tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken indien de houder van de ontheffing betrokken is bij of hem nalatigheid kan worden verweten ten aanzien van activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar voor de openbare orde en veiligheid opleveren of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting.

  7. Op de openingstijden van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, is het bij of krachtens de Winkeltijdenwet bepaalde van toepassing.

  8. Op een aanvraag voor een ontheffing van het in het eerste lid bedoelde verbod is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht over de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, niet van toepassing.