1. Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De aanvraag daartoe dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  3. De vergunning wordt uitsluitend aan natuurlijke personen verleend. Zij is persoons- en pandgebonden en kan niet worden overgedragen. Indien de inrichting geëxploiteerd wordt door een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, dan dienen alle (beherende) vennoten afzonderlijk als houder op de vergunning vermeld te worden. De burgemeester kan bepalen dat de vergunning ten aanzien van bepaalde categorieën inrichtingen slechts aan één natuurlijk persoon kan worden verleend.

  4. Op de aanvraag voor de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  5. De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in het eerste lid niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten inrichtingen in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.

  6. De exploitatie van een inrichting, waarop een besluit als bedoeld in het vijfde lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

  7. Het is verboden een inrichting te verplaatsen zonder toestemming van de burgemeester.

  8. De toestemming tot verplaatsing wordt uitsluitend verleend voor door de burgemeester aangewezen inrichtingen in door de burgemeester genoemde omstandigheden.

  9. De burgemeester kan bepalen dat voor bepaalde categorieën inrichtingen een maximum wordt vastgesteld.