1. Het is verboden op een openbare plaats die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het is verboden om in perioden en gebieden die door het college zijn aangewezen, bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse, dan wel deze dranken te verstrekken in strijd met de beperkingen die het college aan de verstrekking heeft verbonden.

  3. De verboden als genoemd in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    1. op een inrichting of een terras behorend tot een inrichting, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°;

    2. op de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.