1. De vergunning wordt geweigerd indien:

    1. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het omgevingsplan;

    2. de houder binnen drie jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees daarvoor, gesloten is geweest;

    3. de houder de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;

    4. de houder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    5. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting;

    6. er sprake is van een concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt;

    7. redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    8. er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    9. er aanwijzingen zijn dat de houder in strijd handelt met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;

    10. de inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, niet beschikt over eigen toiletgelegenheid voor gasten.

  2. De vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  3. De vergunning kan ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 2.25, onderdeel e, is ingetrokken, gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd.