1. De houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, kan beheerders aanstellen.

  2. De houder verzoekt de burgemeester om de beheerder bij te schrijven op het aanhangsel bij de vergunning. Bij dit verzoek dient de houder het arbeidscontract met de beheerder te overleggen.

  3. Een beheerder die in enig opzicht van slecht levensgedrag is, wordt geweigerd of verwijderd van het aanhangsel.

  4. Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, voor het publiek geopend te hebben indien in de inrichting geen houder of beheerder feitelijk aanwezig is.