-
Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Algemene plaatselijke verordening Maastricht BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 4. Toezicht op inrichtingen voor het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 5. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 6. Tegengaan van onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Paragraaf Afdeling 7. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
- Artikel 2.45
- Artikel 2.46
- Artikel 2.47
- Artikel 2.48
- Artikel 2.49
- Artikel 2.50
- Artikel 2.51
- Artikel 2.52
- Artikel 2.53
- Artikel 2.54
- Artikel 2.55
- Artikel 2.56
- Artikel 2.57
- Artikel 2.58
- Artikel 2.59
- Artikel 2.60
- Artikel 2.61
- Artikel 2.62
- Artikel 2.62a
- Artikel 2.63
- Artikel 2.64
- Artikel 2.65
- Artikel 2.66
- Artikel 2.67
- Artikel 2.68
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding
Afdeling Veiligheidsrisicogebieden
Paragraaf Afdeling 13. Cameratoezicht op openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 14. Voetbal
Paragraaf Afdeling 15. Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Paragraaf Afdeling 1. Collecteren, venten en standplaatsen
Paragraaf Afdeling 2. Openbaar water en waterstaatswerken
Paragraaf Afdeling 3. Verbod vuur te stoken
Paragraaf Afdeling 4. Verstrooiing van as
Paragraaf Afdeling 5. Lijkbezorging
Paragraaf Afdeling 6. Toezicht op evenementen
Paragraaf Afdeling 7. Overlast fiets of bromfiets
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf
Artikel 2.9
Hinderlijke beplanting of voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.
Artikel 2.10
Openen straatkolken en dergelijke
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2.11
Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
-
Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers, fietsers of bromfietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
-
Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.12
Gevaarlijke voorwerpen
-
Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.
-
Het verbod is niet van toepassing op wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.
Artikel 2.13
Vallende voorwerpen
Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.
Artikel 2.14
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting of enig ander belang dat tot de huishouding van de gemeente behoort, worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2.15
Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting of enig ander belang dat tot de huishouding van de gemeente behoort te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.16
Veiligheid op het ijs
-
Het is verboden:
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
-
Eenieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 2.17
Voorkomen van overlast in het algemeen
-
Het is verboden in of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te bevestigen of te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:
overlast kan worden veroorzaakt voor gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;
op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, rook, roet, walm, stof, vocht of licht wordt verspreid, of overlast wordt veroorzaakt door geluid of trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, door licht, elektrisch licht daaronder begrepen, door het houden van dieren of door ongedierte, ratten en muizen daaronder begrepen, of door verontreiniging van het bouwwerk, het open erf of terrein;
brand- of ander gevaar wordt veroorzaakt;
het gebruik van vluchtwegen wordt belemmerd.
-
Het college kan terreinen aanwijzen - open erven en wateren daaronder begrepen - waar het verbod, bedoeld in het eerste lid onder a, b en d, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, - recreatietoestellen en bouwmachines daaronder begrepen -, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van hinder.
-
De in het tweede lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen:
het maximale geluidsniveau;
de situering van hinderbronnen, geluidhinderbronnen daaronder begrepen;
de frequentie en tijden van gebruik.
-
Dit artikel is niet van toepassing op inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor zover het betreft gevaar, schade of hinder als bedoeld in die wet.